Als plant hoort de suikerbiet (Beta vulgaris) bij de wortelgewassen, als bloem bij de onbekenden, maar als vrucht tot het landschap. Het is nu al ver in de herfst en de dagen zijn dompig en grijs.
De suikerbieten zijn geoogst door grote geheimzinnige machines, die zwaar op het land leunen en soms tot diep in de avond met hun zoekende lichtbundels aan de slag zijn. Het geronk van de motoren klinkt tot kilometers ver door. Geen biet wordt nog door een warme mensenhand beroerd, bewerkt of gedragen. Dit is geen oogsten meer, dit is een campagne. Eenmaal begonnen is zij niet meer te stoppen en trekt als een veldslag over de akkers. De zomerse rust is veranderd in een luidruchtig en jachtig vertier, wegen zijn onbegaanbaar en veranderd in glibberige sporen; het laatste groen is verdwenen van de velden en overal verschijnen de diepe groeven in de modderige klei. Pas als de eerste vorst op het land wordt waargenomen stopt deze verwoede machinerie en wordt het weer stil op het platteland. Het oogsten van de bieten is jaarlijks de laatste drukte.
In de vaalwordende grauwte van de late herfstdag liggen de bieten daarna als grijsbruine hompen op gestapelde hopen, als gevallen soldaten, het blad weggefreesd en met messen nagekopt. De zesrijige bietenrooier kent geen genade, hij maakt ze allemaal gelijk. Geen plant die het landschap zo beïnvloedt als de biet. Eerst zijn er de naakte akkers met hun rechtgesneden voren. Na de winter komen uit de kapotgevroren kleiklompen de jonge frisse lootjes van de planten te voorschijn die aan de glooiende velden een hoopvolle gloed geven. De ganse zomer staan de grote bladeren te blaken in de zon en tonen aan de toeristen die als fietsers en wandelaars door de streek trekken hoe vruchtbaar het land wel niet is. Nu in de herfst liggen op elke hoek en kruising van de veldwegen die hopeloze massa’s te wachten tot de grote vrachtwagens ze zullen deporteren naar de fabrieken waar ze vermalen worden. Dan is de rust op het land weergekeerd. De vette klei op de omgeploegde landerijen zal stil en glimmend blijven liggen tot er een dik tapijt van witte sneeuw is neergedaald en de winterslaap alles zal doen vergeten.
 
Michel Lafaille in de nieuwste editie het tijdschrift Stadswerk, over ‘Ontwerp versus Beheer’:
‘Een ontwerp is in essentie de oplossing van een probleem dat vervolgens in een esthetische vorm wordt gegoten. Karakteristiek is dat de ontwerper probeert de eisen die gesteld worden (verkeer, veiligheid, parkeren, spelen, etc.) te realiseren in een overzichtelijke en mooie uitstraling waarbij oog is voor ecologie en aandacht voor duurzaamheid.’
Als u deze dagen naar de BBC kijkt, of misschien in Engeland bent, dan ziet u iedereen met een papieren bloemetje op de revers of de borst. Dat stelt een klaproos voor, als symbool van de herinnering aan de Flander Fields. De grote oorlog, de eerste wereldoorlog, die zich in het slijk van Vlaanderen afspeelde en waar miljoenen soldaten zijn omgekomen. Een van de grote zinloosheden van de vorige eeuw.
Gek hoe een zo tere bloem, die verwelkt als je ze afplukt, een zo grote icoon is geworden. De bloem die altijd en overal als pionier verschijnt, waar de aarde is omgewoeld, waar de wereld verstoord is.
Moedig volk die Engelsen om zo de hele dag met een bloem rond te lopen, de mannen en de vrouwen, om hun minachting en hun protest tegen de oorlog – of misschien alleen maar hun onbegrip voor zoveel absurditeit – uit te drukken.
Door een verloren foto was ik in het land van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels (1871-1969). U kent hem waarschijnlijk van titels als De Vlasschaard of De teleurgang van de Waterhoek. Ik bezit bijna zijn volledige werk in een mooie reeks uitgaven uit 1877, te koop geweest voor 1,5 florijn per deeltje. Mijn favoriete deel is Najaar, met daarin Najaar, De Boomen, Jacht en De Aanslag. Uren en dagen heb ik al in die boeken gelezen om te proberen te begrijpen hoe de meester schreef en waarom het toch zo mooi is wat hij schreef. De beschrijvingen van bepaalde dingen, waarom juist die adjectieven, juist die bijvoeglijke naamwoorden.
Een van zijn geliefde thema’s dat telkens naar voren komt is ‘verlangen naar verandering en treurnis om het veranderen'. Dit gaat gepaard met de voortgang van de tijd. Wat vindt u van: … teedere heugenis; met eene zachte lichtschemering omneveld; het zonnebeeld dat opwielt in de lucht; toen de dag doezelig uitstierf …
Ik kan nog steeds urenlang die woorden proeven en alhoewel ze verouderd zijn, hebben ze een zodanige breedte in hun betekenis dat ze moeilijk in ‘hedendaagse woorden’ te vangen of te vertalen zijn.
Zo is ook het glooiende Streuvels land, tussen Kortrijk en Kluisbergen, met Ingooigem als hoogtepunt waar Streuvels woonde en begraven ligt. Zijn huis, Het Lijsternest, is nu een museum. Helaas maar tot 1 november open. Ik heb nu nog steeds een onvervalste bewondering voor de schrijver, die voor mij als een abstract figuur is, verbonden aan het Vlaamse heuvelland.
Het aparte van zoiets als de tuinen van Het Loo, die zo nauwkeurig zijn gereconstrueerd, is dat je terug stapt in de tijd, maar wel in de ruimte van het heden blijft.
Dat is ware Marcel Proust of René Magritte, zo je wenst.
 
 
Voor me op het bureau ligt het blad van de Prunus serrulata ‘Kanzan’. Mooie herfstkleuren die ik het liefst voor altijd zou willen bewaren en dat was ook de reden dat ik het blad onwillekeurig opraapte tijdens een korte ochtendwandeling vandaag.
Dat het een Kanzan is zag ik niet aan blad, maar aan de vorm van de boom. De kroon heeft een mooie vaasvorm, smal van onderen en breed van boven. Verder ben ik geen specialist. Sierlijk gevormd is het blad, alsof het in zichzelf één beweging is. Van het puntje in de top tot het steeltje onderaan. Verbonden door een grove hoofdnerf die zich heel gracieus vertakt, in tegenover staande zijnerven. Zoals een blad hoort te zijn, zoals een kind het zou tekenen. Getand aan de randen, korte puntige tandjes waarvan ik de functie niet ken, want ik neem aan dat ze er niet aanzitten om slechts het esthetische te dienen.
De linkerkant is geel verkleurd, de rechterkant eerder rood, gesponst, gewassen, gespoten. Niet geschilderd, daarvoor zijn alle kleuren te vaal en te gelijkmatig. Door de droge lucht in mijn bureau zijnde randen wat opgekruld, omgeslagen, naar binnen gerold. Daardoor lijkt de punt nog puntiger.
Hoeveel van dit soort bladeren zitten er aan een Prunus, en allemaal even mooi. En in de hele straat? En in de hele stad? En in het hele land?
Ik hou het meeste van de Kanzan, ook vanwege die gevulde roze bloemetjes in de lente, miljoenen en miljoenen. En in de hele straat? En in de hele stad? En in het hele land? De Amanogawa is ook mooi, de smal zuilvormige soort met lichtroze halfgevulde bloemen. Maar de herfstkleur is zo rood en paars. Te. En teveel herfst is ook niet goed. Net zoals teveel marsepein.
Met de grote puntige bladeren van de plataanboom in de hand stapten ze vol vertrouwen in het rond. Ze waren met z’n drieën en geloofden dat de wereld goed was, behalve heel soms eventjes als je een nare droom droomde, tandpijn kreeg of steentjes in je knieën had van het vallen met de fiets. Voor de rest konden ze alles aan.
De trossen bladeren waren veel te groot voor die kleine handjes. Ze staken ze vurig naar voren alsof ze die wilden weggeven aan iemand die er niet was. Ze liepen alleen maar de wind achterna en stapten wild tussen de afgevallen herfstbladeren. Vol van alles en nu. Van het moment en zichzelf en de wereld. Van datgene wat ze aan elkaar wilden vertellen maar nog geen woorden voor hadden.
Ze gierden en giechelden van de pret en konden amper ademhalen, slechts elkaars naam roepen en nog meer bladeren oprapen waardoor er anderen uit hun handjes vielen wat de pret alleen nog maar vergrootte. Drie meisjes. Eentje met roze laarsjes, eentje met groene laarsjes en eentje met witte laarsjes.
Dat was pas herfst, wat kon mij die depressie boven Stockholm nou schelen dacht ik in een zoef voorbijschietend in de auto en ik zette het weerbericht uit.
We hebben er allemaal een uur bij gekregen. Dat zijn aardig wat uurtjes in totaal. Daarmee hadden we als mensheid iets heel moois kunnen doen, maar zover mijn informatie reikt is dat niet gebeurd, alhoewel ik eerlijk moet toegeven dat ik niet alle Journaals heb bekeken of beluisterd.
Aan de hand van dit extra uur kunnen we de mensen in drie parten opsplitsen. Zij die zeiden dat er toch een uur bijkwam in de loop van de nacht en dus best een uurtje langer konden opblijven en doorfeesten. De tweede groep zijn de mensen die de klok een uur terug gezet hebben om vervolgens een uur langer te gaan slapen. De derde groep tenslotte, waren diegene die normaal gingen slapen in de zomertijd, even lang sliepen als gewoonlijk en dus een uur vroeger zijn opgestaan in de wintertijd, omdat ze dan toch al normaal geslapen hadden. Die hebben op zondag een uur kunnen lanterfanten of chillen zoals dat heet.
Bij welke groep deelt u zichzelf in?
Zo zag ik tijdens het wandelen langs een boomgaard een vergeten peer hangen. Al het andere fruit was weg, op wat late appelrassen na, die moeten nog geplukt worden. Kwestie van net lang genoeg te laten hangen voor de vorst ’s nachts gaat komen. Maar die ene peer, die was vergeten, die hing daar niet bewust, was door haar groene kleur en de gestippelde bruine vlekjes zo opgegaan in het decor van de boomgaard dat niemand haar had zien hangen, wat verscholen tussen de blaadjes die nu verdwijnen, waardoor de peer met haar wulpse ietwat slanke vorm wel in het oog springt.
Ze zal over enige tijd vallen, haar steeltje zal breken door het bewegen in de wind en dan zal ze tussen de hoge grasstengels liggen, op de koude grond. Wat blad, takjes en gras om haar te beschutten. Tot een mooie mannetjesfazant langs zal stappen en stoppen om eerst met z’n bange ogen rond te kijken, even aan te slaan, om dan met z’n puntige snavel een paar happen te nemen uit het maagdelijk vlees van de peer, tot er verderop, voor ons mensen niet hoorbaar, een andere peer zal vallen, ook moe van het lange hangen en met een zacht geluid in het natte gras zal ploffen. Met snorrende vleugelslag zal de fazant lawaaierig opvliegen, tamelijk steil omhoog, denkend aan gevaar, om dan in een lange glijvlucht naar het struikgewas achteraan bij de greppel neer te willen komen. Het korte droge schot van de hagel zal klinken en echoën in de mistige lucht.
De peer blijft liggen in het gras en wacht, tot misschien een egel, al wat laat voor de winterslaap voorbij kruipt en gulzig van de sappige vrucht zal eten, tot hij de snelle tred van de vos hoort naderen en zich klein maakt, zo klein dat hij bijna verdwijnt. De vos zal hem niet zien, ziet slechts de peer waaraan geknabbeld is en denken dat er jagers onderweg zijn die na een paar korte happen de peer in het gras te grabbel hebben gegooid.
Het is beter dat ik maar doorloop, dacht ik, en de peer laat hangen.
Gisteren presenteerde een viertal ontwerper zichzelf als ‘De humane ontwerpers’. Zij leerden elkaar kennen bij |het ontwerp instituut| en werden aangesproken door de missie van het instituut over specifiek dat humane aspect (zie elders op de website onder de knop Visie). Het is mooi en hartverwarmend dat dit gebeurt en zich uitdeint. Hopelijk vinden zij voldoende energie en doorzettingsvermogen om dit verder te blijven doen en opdrachten te vinden waarbij ze dit ideaal kunnen verwezenlijken.
 

‘De mens met zijn beleving en ervaring van de buitenruimte staat centraal en niet de overheersende doelmatigheid’.

 

Door de les van Leo Goudzwaard van Alterra Wageningen over bomen en hun ecologische waarde, afgelopen vrijdag in Apeldoorn, is de focus weer helemaal terug op de boom en de verschijningsvorm van de boom. Leo had voor elke cursist een schrift gemaakt met 29 verschillende bladeren van (inheemse) bomen en struiken. Wat een werk van de man. Daar moesten we (want ik mocht meedoen) natuurlijk van opschrijven welke soort het waren (Nederlands en Latijnse naam, telkens 2 punten). U kunt zich voorstellen dat de hilariteit weer even terug was bij het ontwerp instituut, want ja, die ken ik wel, maar hoe heet die toch al weer….
Vandaag onderweg door Nederland, zag ik vele bomen staan langs de snelweg en ik kon er niet aan voorbij rijden zonder hardop in de auto op te sommen wat ik allemaal zag. Ja, we staan weer terug op scherp.
Vandaag eerste lesdag van de nieuwe cursus ‘Ontplooiing als Ontwerper’ gegeven. Spannend natuurlijk, zowel voor mij als voor de cursisten. Eerst aftasten, wat gaat het worden, hoeveel van onszelf geven we? Dan komt het los, komt er meer engagement. Men durft, met stelt zich open. De basis van alle leren: opengaan, ontvankelijk zijn.
Mooie constructieve dag, over inspiratie. Volgende week verder. Men kan zich gelukkig voelen met dit soort werk.

Afgelopen zaterdag vond er een fotoworkshop plaats in de natuurbegraafplaats De Utrecht in Esbeek. Dit is mijn neerslag van de dag, gefotografeerd met het begrip 'ruimte' in het achterhoofd.

 

Vanochtend naarstig de voorruit van de auto gewassen. Die zat vol Duitse insecten. Ik moest voor een afspraak vanochtend vroeg vertrekken, in het nog wankele morgendonker van de herfst dat zich voordoet als de eerste schuchtere voorbode van de winter. Wat ik niet wist is dat het vanochtend naar weer zou zijn met harde regen waardoor het schoonmaken tot een volstrekt overbodig werk zou verworden.
Was het daarom nutteloos? Neen denk ik. Want door het nijvere poetsen, de beweging van de arm boven het raam, het draaien van de spons op het venster, het scheppen van het warme water, het uitknijpen van de spons over het glas, het kijken naar het spoor die het witte zeepschuim vormde, kwam ik dichter bij iets dat voor mij van belang was, zonder te weten wat het precies inhield.
Zoiets als de timmerman die zijn nieuwe hamer even in de handpalm weegt om hem te proeven; zoiets als de metselaar die de klinkers even in de lucht gooit alvorens ze tegen elkaar te slaan ter controle van hun lichtheid, zoiets als de boer die zijn hooivork zwierig omhoog laat bewegen alvorens het hooi te schudden; zoiets als de ruiter die zijn leren zadel liefdevol draagt alvorens het met een kordate zwaai op de rug van het paard te plaatsen. Het zijn dingen die moeten gebeuren vanuit een andere orde, zonder reden maar met een doel dat nog ergens ver in het verschiet ligt, op het einde van het gezichtsveld waar de lijnen in elkaar vloeien. Daar ben ik nog nooit geweest, net zomin als de timmerman, de metselaar, de boer of de ruiter.
Luttele dagen. Las ik vandaag in een artikel in de krant. Als ik zoiets lees wil ik het onmiddellijk gebruiken, dus schrijf ik het hier alvast op. Luttele dagen. Luttel komt uit het Engels, van het woord little en van het Hoogduitse lützel, daarnaast van het Nederlandse lutje, Een duidelijk affectief woord schrijft Van Dale, gezien de varianten; verwanten buiten het Germaans zijn niet gevonden. Komt voor het eerst voor in onze taal in het jaar 1200. Daarvoor hadden ze geen luttel en bijgevolg ook geen luttele dagen. Misschien was alles toen veel of ze zagen alles als veel. Luttel betekent weinig. Over luttele dagen zal deze mooie herfst ten einde zijn en het gure weer aanbreken. Luttele uren waren de geliefden bij elkaar alvorens zij moesten scheidden. Luttele minuten resten mij nog voor de klok middernacht zal slaan. Als ik de tijd had zou ik een roman schrijven met als titel Luttele Dagen.
Schroom. Ik las ook het woord schroom. Een niet alledaags woord. Schroom is het gevoel dat voor een handeling doet terugdeinzen. Onze politici zouden wat meer schroom moeten betrachten dacht ik opeens. Een zin met luttele woorden maar een diepe betekenis, want dan zouden we niet in deze cafédemocratie terecht zijn gekomen. Maar nu dwaal ik af en als ik eerlijk ben las ik eigenlijk niet het woord schroom in dat artikel maar het woord pudeur, hetgeen ik niet kende en opzocht. Eigenaardig genoeg klinkt het helemaal niet als schroom, integendeel, eerder als het tegenovergestelde, maar het betekent het wel.
Ik heb pudeur u te vertellen dat ik vandaag niet in de tuin ben, al was het maar voor een luttel ogenblik.