De grote kast in mijn werkkamer gaat open, op zoek naar de doos Caran d’Ache-potloden. Ik doe hem achteloos open, niet te hard of niet te zacht, maar wel op de goede hoogte. Maakt u zich geen zorgen, die kent iedereen, er is maar één goede hoogte. U begint zo ongeveer voor de buik en houdt de doos andersom vast, met de sluiting van u af, want er moet met de twee handen gewriemeld worden voor die dekselse doos openklikt. Miljoenen hebben ze er van gemaakt, maar ze gaan nog steeds niet goed open. Laat me er onmiddellijk bij zeggen dat dit ook de bedoeling is en zo moet blijven.
Vloef, zegt het metaal dan dofjes en met een sprongetje gaat het deksel omhoog. Niet stabiel, dat zou te simpel zijn. De linkerkant en de rechterkant gaan niet even snel open, een kant geeft iets meer mee, altijd onvoorzien welke kant – altijd de verkeerde, dat maakt het opendoen spannend – en daarom houden we de doos goed vast. Dan gebeuren er een paar dingen tegelijkertijd.
Ik trek het deksel naar me toe met de rechterhand en open daardoor de doos. Met de linkerhand die aan de onderkant de doos steunt, til ik de doos ietsje omhoog, zo ongeveer ter hoogte van de borst. In die beweging draai ik de doos een kwartslag zodat het net lijkt alsof ik ze aanbied aan iemand die er niet is. Er staat natuurlijk niemand, want dan zou ik ze in de andere richting hebben geopend, want nooit of nooit mag het ook maar lijken alsof je een potlood aan iemand anders zou aanbieden. Zeker geen Caran d’Ache. Ook niet aan broer of zus, ook niet als zij hun kleur rood kwijt zijn. Op dat moment, terwijl ik de doos open voor me hou, ruikt ik voor het eerst weer na zoveel jaren de potloden. Automatisch zal ik de doos nog iets optillen en zwijgend kijken. Ik zie al die kleurtjes opnieuw, als een nieuwe en toch zo vertrouwde kennismaking, de ene wat meer afgeslepen dan de andere, de ene wat scherper dan de andere. De ogen schieten van de ene kleur naar de andere en mijn leven rolt zich weer af als een oude jeugdfilm. Natuurlijk weet ik nog goed waarom dat groen bijna op is en waarom het blauw helemaal aan het begin van de doos ligt. Haarscherp komt het terug dat de stompjes geel en oranje samen pasten in een en hetzelfde gleufje, waardoor er een ander potlood bij kon, een pekzwart van een ander merk, gekregen van Natalie uit de zesde. Dat grijs is aan twee kanten geslepen, in een balorige bui. Bovenal heerst die geur, die onvervalste niet te imiteren geur van het hout, paraffine, kalk en pigment. Een van de diepste geuren die er in het menselijk bestaan zijn op te nemen.
Wees gewaarschuwd, doe het voorzichtig en niet te gretig, want menig geurliefhebber is door de onverwachtse herinneringen die in een flits weer terugkomen al onderuit gegaan.
Dat is niet zo erg, maar wel als u de doos nog in de handen hebt.