Lastige dag vandaag. Weet nog hoe het televisiebeeld op mijn computer oversprong van de Ronde van Spanje naar New York, zo ongeveer op het moment waarop het tweede vliegtuig insloeg. Ik wou er toen onmiddellijk heen, erbij zijn, iets, ik weet niet wat. Ik weet nog dat ik bovenop die toren stond, met mijn dochter, zo onschuldig.
Ik weet wel, het is gecompliceerd, maar ik voel me nog steeds erg verbonden met die stad, met wat ik er allemaal heb meegemaakt, eerst met de theaters, met Herman van Veen, later met het Bryatt Park, met de jongen van de supermarkt, met de portier van Carnegie Hall, de taxichauffeur, de man in de metro, de hotdogverkoper op de hoek van 5th Avenue, de boekverkoper wiens winkel ’s nachts open bleef, de Indische kleermaker die een pak kwam maken in het hotel, de rook die uit de straten opstijgt, de geur van gepofte kastanjes, de bomen op de Trump Tower, het dode eekhoorntje in het Central Park en al die andere duizenden andere dingen die door mijn hoofd dwarrelen als ik aan New York denk . Ze zweven rond zonder neer te komen als in een glazen bol met sneeuwvlokken waar je aan kunt schudden om het te laten sneeuwen. Het geurt en het beweegt en het maakt lawaai en het licht verandert voortdurend. Ik vind het altijd opnieuw de mooiste plek op de wereld.