Als plant hoort de suikerbiet (Beta vulgaris) bij de wortelgewassen, als bloem bij de onbekenden, maar als vrucht tot het landschap. Het is nu al ver in de herfst en de dagen zijn dompig en grijs.
De suikerbieten zijn geoogst door grote geheimzinnige machines, die zwaar op het land leunen en soms tot diep in de avond met hun zoekende lichtbundels aan de slag zijn. Het geronk van de motoren klinkt tot kilometers ver door. Geen biet wordt nog door een warme mensenhand beroerd, bewerkt of gedragen. Dit is geen oogsten meer, dit is een campagne. Eenmaal begonnen is zij niet meer te stoppen en trekt als een veldslag over de akkers. De zomerse rust is veranderd in een luidruchtig en jachtig vertier, wegen zijn onbegaanbaar en veranderd in glibberige sporen; het laatste groen is verdwenen van de velden en overal verschijnen de diepe groeven in de modderige klei. Pas als de eerste vorst op het land wordt waargenomen stopt deze verwoede machinerie en wordt het weer stil op het platteland. Het oogsten van de bieten is jaarlijks de laatste drukte.
In de vaalwordende grauwte van de late herfstdag liggen de bieten daarna als grijsbruine hompen op gestapelde hopen, als gevallen soldaten, het blad weggefreesd en met messen nagekopt. De zesrijige bietenrooier kent geen genade, hij maakt ze allemaal gelijk. Geen plant die het landschap zo beïnvloedt als de biet. Eerst zijn er de naakte akkers met hun rechtgesneden voren. Na de winter komen uit de kapotgevroren kleiklompen de jonge frisse lootjes van de planten te voorschijn die aan de glooiende velden een hoopvolle gloed geven. De ganse zomer staan de grote bladeren te blaken in de zon en tonen aan de toeristen die als fietsers en wandelaars door de streek trekken hoe vruchtbaar het land wel niet is. Nu in de herfst liggen op elke hoek en kruising van de veldwegen die hopeloze massa’s te wachten tot de grote vrachtwagens ze zullen deporteren naar de fabrieken waar ze vermalen worden. Dan is de rust op het land weergekeerd. De vette klei op de omgeploegde landerijen zal stil en glimmend blijven liggen tot er een dik tapijt van witte sneeuw is neergedaald en de winterslaap alles zal doen vergeten.