Het is nat vandaag, alles is nat. De stammen van de bomen en de struiken zijn zwart van de nattigheid.
De maïsstoppels op de lege akkers staan in de natte klei. Het polderwater staat vol nattigheid en zelfs de vleugels van de vogels druipen van het nat.
Een eenzame meeuw vliegt hoog helemaal daarboven in de grijsdonkere lucht. Alleen meeuwen kunnen zo dapper alleen zijn. Alsof ze het opzoeken, nooit per ongeluk. Wat lager spoeden de duiven zich naar links of naar rechts, alle kanten uit, overal heen. Wat zouden ze toch gaan doen? De eksters blijven hier en huppen wat rond.
De slanke rietstengels langs de sloot hangen schuin naar beneden, moe van de nattigheid. Ze lijken te treuren zoals alleen de natuur kan treuren. Stompe knotwilgen staan tegen de open polder in te leunen. Zij hebben geen enkel detail meer nu ze zijn geknot, geen enkele nuance biedt hun silhouet. Hoe eenzaam is een rij?
De populierenbomen in hun gelid daarentegen blijven mooi ondanks alle donkerte. De essen hangen nog vol met hun plompe vruchten.
Er is geen ontsnappen mogelijk vandaag, alles is zwart. Het enige wit in de wereld is van de wilde knobbelzwanen die verderop met gedraaide nekken staan te kijken naar de plassen in de weilanden.
En dan plots daar, een witte reiger, witter dan wit. Die nobele verschijning en die krachtig langzame vleugelslagen brengen toch weer sierlijkheid in het landschap. Net zo hoopvol als zonnestralen die hadden kunnen doorbreken Een torenvalk lijkt zowaar bruingrijs in plaats van zwart, eeuwenoud bruin.
Het wordt toch nog middag.