Als ik in een bos wandel dan word ik begroet door andere wandelaars en ik groet ze terug. Toch zijn wij wildvreemden voor elkaar. Ik ken die mensen niet, weet hun naam of adres niet. Wel zijn wij deelgenoten. We hebben samen deel aan iets, in dit geval de boswandeling. Honderd meter verder, op de parkeerplaats, groeten zij niet meer en ik ook niet. Als ik het toch deed, zouden ze denken dat ik een beetje raar was. Met andere woorden: vanaf het moment dat we het bos verlaten, zijn we geen deelgenoten meer. Als iemand mij groet in een drukke winkelstraat in de stad dan knik ik vriendelijk terug en denk: Waar ken ik die toch van? We zijn immers geen deelgenoten, we bevinden ons niet in een bepaalde of niet alledaagse situatie (zoals de boswandeling) en dus ga ik er automatisch van uit dat een persoon die groet een bekende is. Ander zou hij mij niet groeten. Een stad is geen plaats waar vreemden elkaar spontaan groeten.
 
Die verbondenheid tussen mensen is een eigenaardig iets. Zit ik op een vliegreis vanuit een verre streek terug naar huis naast een wildvreemde meneer of mevrouw dan weet ik na een uur of twee de meest intieme details uit hun privéleven. Maar eenmaal na landing bij de bagageband aangekomen draaien we ons allebei om en kennen elkaar niet meer. Het is een fijnzinnig spel. Wanneer wel en wanneer niet? Er is geen kennis over in omloop om het te kunnen leren. Het lijkt wel een aangeboren kunst die iedereen beheerst. In de sauna doe je het wel, in de lift doe je het niet. Bij de bushalte doe je het niet maar in de wachtzaal van de dokter doe je het weer wel. In de bibliotheek doe je het niet, maar bij de bakker moet het wel. Bij de pornoshop zeg je niets, maar bij de tandarts wel. Bij het tankstation niet, bij de patatzaak wel.
Een visser groet je niet, een jager wel. Een wandelaar wel, een skiër niet. Een zwemmer ook niet, een fietser evenmin. Een schipper die groet altijd en een padvinder ook. Onder parachutisten wordt niet gegroet, wel gezwaaid.