Vandaag kwam het bericht in het nieuws dat in het dorpje Bondo in Graubunden een aardverschuiving heeft plaatsgevonden waarbij 4 miljoen kubieke meter modderlawine met rotsen van het Alpengebergte naar beneden gegleden is. Dat is het volume van 4.000 huizen bij elkaar. Gelukkig konden de mensen uit het dorp op tijd geëvacueerd worden, maar helaas is er nog een groep bergwandelaars vermist. Oorzaak is waarschijnlijk de permafrost die deze zomer door de hoge temperatuur toch aan het smelten is gegaan. Een gevolg van de klimaatverandering.
De ravagestroom is pal langs een prachtige tuin gegleden, van het Palazzo van de familie Salis, aangelegd in 1774. Die is gelukkig gespaard gebleven.
De foto van de tuin hierbij is tegengesteld, want laat een van de mooiste momenten van het jaar zien, als in de late herfst de zon in het dal hangt. Alsof de tijd voor altijd stilstaat. Tot plots het natuurgeweld voorbij raast. Hopelijk komen de vermisten snel en gezond weer terecht.
 
Een voor een arriveren de standhouders aan de toegangspoort. Inschrijvingspapieren worden getoond als ware het perkamenten, oorspronkelijke oorkonden die het recht verschaffen tot toegang aan het hof en het eigendom verlenen tot een perceel in de vorm van een stand met nummer. Allen zijn gekomen. Zij van de vorige toernooien, die elkaar met een enkele diepe gromgroet begroeten én zij die nieuw zijn en hun kansen komen wagen. Allen zetten ze hun beste beentje voor, tonen hun nieuwste waren en kunnen. Zij hebben pas ontworpen ideeën bij zich die ze hier aan elkaar zullen laten zien. Want het is niet voor de mogelijke of nieuwe klanten dat zij zich komen uitsloven, dat zij de onmogelijke taak op zich nemen om op slechts twee dagen een volledige stand of tuin uit het niets te doen verrijzen. Nee, het is voor elkaar dat zij deze heldendaden verzetten. Om te laten zien dat ze met trots deel uitmaken van de gilde der groenmakers, om te laten merken dat ze fier en edel dit beroep willen uitoefenen.
Net zoals bij de riddertoernooien zijn alle lieden die horen bij een dergelijke bijeenkomst ook meegekomen. De clowns en acrobaten, de koks en voedselmakers, de verkopers van valse en namaakmedicijnen, de grappenmakers en de tovenaars, de kooplieden van verre streken met onbekende en vreemde producten. De toekomstvoorspellers, de muzikanten en de mooie dames. Iedereen onherkenbaar feestelijk uitgedost, als beroepsgenoten en deelnemers aan deze festiviteit die éénmaal per jaar plaats vindt.
Dat is het mooie van een beurs, dat je elkaar weer ziet en spreekt. Dat je in alle ernst vertelt over het wel en wee van het afgelopen jaar en in alle overdrijving die je aandurft over de plannen die je hebt.
Met mij gaat het goed, hoor je zelf te roepen.
Mijn opdrachtportefeuille zit vol tot de Kerst hoor je van alle collega’s.
We vertellen over hoe gek die opdrachtgevers wel niet zijn. We vertellen dat we waarschijnlijk nog drie man fulltime erbij zullen moeten nemen, zo druk is het. We luisteren eerbiedig naar elkaars verhalen en knikken goedkeurend als een nieuweling zich komt voorstellen. Ook op de beurs? Zo leven we vier dagen met elkaar, waarvan er eigenlijk twee te veel zijn. Zo nemen we met een emotioneel gebaar weer afscheid van elkaar en wensen elkaar veel sterkte en werk toe, want het zal nodig zijn in deze harde en moeilijke tijden. Tot volgend jaar.
Als juli en augustus zand zijn, dan is september en oktober blad. Dus zijn november en december dennentakken en mos. Daarom zijn januari en februari sneeuw en ijs en is maart/ april bloesem. Bijgevolg is mei/juni gras omdat juli en augustus zand zijn. In de tuin zijn de slakken spoorloos en in huis dwarrelen de fruitvliegjes alom. Dondervliegjes noemden we ze vroeger maar dat woord hoor ik niet meer zo. Misschien klopte het ook niet. Het is echt eind augustus nu, wel warm maar met al volop herfst verscholen in de lucht. Als je goed kijkt naar de bladeren zie je het verval al aangekondigd, de eerste verkleuringen zijn al begonnen. Ik hou niet van dit jaargetijde, het doet me te veel aan de aangekondigde dood denken, aan de prelude van het sterven. De rijpheid van de herfst, of het nou die letterlijke van de natuur is of die abstracte van het mensenleven. Van die laatste hou ik wel. Die gaat gepaard met volheid, met rijpheid, wellicht met wijsheid. Maar deze late zomertijd is alleen maar een uitdrukking van over de top zijn, van decadentie en vergankelijkheid. Laat het dus maar dra gaan herfsten en dat de gouden dagen van september en oktober mogen komen.
De grote kast in mijn werkkamer gaat open, op zoek naar de doos Caran d’Ache-potloden. Ik doe hem achteloos open, niet te hard of niet te zacht, maar wel op de goede hoogte. Maakt u zich geen zorgen, die kent iedereen, er is maar één goede hoogte. U begint zo ongeveer voor de buik en houdt de doos andersom vast, met de sluiting van u af, want er moet met de twee handen gewriemeld worden voor die dekselse doos openklikt. Miljoenen hebben ze er van gemaakt, maar ze gaan nog steeds niet goed open. Laat me er onmiddellijk bij zeggen dat dit ook de bedoeling is en zo moet blijven.
Vloef, zegt het metaal dan dofjes en met een sprongetje gaat het deksel omhoog. Niet stabiel, dat zou te simpel zijn. De linkerkant en de rechterkant gaan niet even snel open, een kant geeft iets meer mee, altijd onvoorzien welke kant – altijd de verkeerde, dat maakt het opendoen spannend – en daarom houden we de doos goed vast. Dan gebeuren er een paar dingen tegelijkertijd.
Ik trek het deksel naar me toe met de rechterhand en open daardoor de doos. Met de linkerhand die aan de onderkant de doos steunt, til ik de doos ietsje omhoog, zo ongeveer ter hoogte van de borst. In die beweging draai ik de doos een kwartslag zodat het net lijkt alsof ik ze aanbied aan iemand die er niet is. Er staat natuurlijk niemand, want dan zou ik ze in de andere richting hebben geopend, want nooit of nooit mag het ook maar lijken alsof je een potlood aan iemand anders zou aanbieden. Zeker geen Caran d’Ache. Ook niet aan broer of zus, ook niet als zij hun kleur rood kwijt zijn. Op dat moment, terwijl ik de doos open voor me hou, ruikt ik voor het eerst weer na zoveel jaren de potloden. Automatisch zal ik de doos nog iets optillen en zwijgend kijken. Ik zie al die kleurtjes opnieuw, als een nieuwe en toch zo vertrouwde kennismaking, de ene wat meer afgeslepen dan de andere, de ene wat scherper dan de andere. De ogen schieten van de ene kleur naar de andere en mijn leven rolt zich weer af als een oude jeugdfilm. Natuurlijk weet ik nog goed waarom dat groen bijna op is en waarom het blauw helemaal aan het begin van de doos ligt. Haarscherp komt het terug dat de stompjes geel en oranje samen pasten in een en hetzelfde gleufje, waardoor er een ander potlood bij kon, een pekzwart van een ander merk, gekregen van Natalie uit de zesde. Dat grijs is aan twee kanten geslepen, in een balorige bui. Bovenal heerst die geur, die onvervalste niet te imiteren geur van het hout, paraffine, kalk en pigment. Een van de diepste geuren die er in het menselijk bestaan zijn op te nemen.
Wees gewaarschuwd, doe het voorzichtig en niet te gretig, want menig geurliefhebber is door de onverwachtse herinneringen die in een flits weer terugkomen al onderuit gegaan.
Dat is niet zo erg, maar wel als u de doos nog in de handen hebt.
Zou u, indien u geboren en opgegroeid was in uw ideale stad, een vollediger persoon zijn geworden? Niet slimmer of intelligenter, niet rijker of geslaagder, maar vollediger? Met dezelfde ouders, hetzelfde milieu, dezelfde klasgenoten. Alleen een andere stad. Heeft een stad de kracht om een mens te bepalen? Hoort Jean Paul Sartre bij Parijs en Marcel Proust bij Combray? Bepaalde Liverpool John Lennon? Vormde Berlijn Rainer Werner Fassbinder of maakte New York Andy Warhol?
 
Elke keer als ik in Barcelona kom, stel ik mijzelf die vraag. Hoe zou ik geworden zijn als ik hier als jongetje had gespeeld of door deze straten had geslenterd, in deze zon was opgegroeid? Ik zie mijn ouders over de Ramblas flaneren, op weg naar een dansfeest op zaterdagavond. Het appartement in de hoge huizenblokken hebben zij afgesloten: we zouden niet thuis zijn. Ik zou er de weg hebben geweten in huis, elke stoel, elk boek, elk geluid zou mij bekend zijn geweest. De geuren uit de stenen keuken, de donkerte achter de luiken van de slaapkamers. We zouden andere dagritmes hebben gehad en andere gewoonten hebben gekend. Tradities zouden op een andere manier in ere gehouden zijn. Mijn moeder zou in de overdekte markthallen te vinden zijn geweest, mijn vader had wat luidruchtiger gesproken en wat trager gelopen in de middagzon. Maar ik? Hoe zou ik geweest zijn?
Anders, dat is al wat ik weet. Zou ik meer van mezelf ontdekt hebben, meer vanzelfsprekendheid in gebaar en houding hebben, meer talent binnenin hebben ontdekt en gebruikt? Soms denk ik van wel. Bijwijlen geloof ik dat de complexiteit van een stad in de kern van je persoon doordringt en er deel van wordt. Dat je manier van denken net zo wordt als de beweging van het verkeer, met haar hoofdstraten en geheime stille doorgangen. Dat je in je ontwikkeling even stil kunt staan zoals je dat deed op de pleintjes in de stad, om te overdenken en vervolgens de drukte en de beweging weer kunt induiken. Dat je met jezelf verrassende confrontaties kunt hebben zoals de toevallige ontmoetingen met onbekende stadsgenoten, die je veranderen in opvatting, confronteren met een nieuwe denkwijze of verbazen door hun aangeboren of zelfontdekt levensplezier. Dat je in de nuances van de kleuren van de stad kunt leren denken. Barcelona is bruin, roest en grijs.
Misschien komt het door de schaal. Barcelona is een miljoenenstad, maar overweldigt nooit. De stad neemt haar bewoners in zich op maar verslindt ze niet. In Parijs ben je niemand, in Londen loopt je verloren, in New York besta je niet eens. Brussel is een verzameling dorpen, in Berlijn ben je anoniem, in Genève ken je niemand. Milaan is gesloten, Antwerpen te klein en Hamburg teveel nacht. Amsterdam is hard, Düsseldorf te opschepperig en Rome te groot. Alleen Lyon…ja, Lyon heeft het ook.
Maar dat is een volgend verhaal.
Vooruitlopend op de beurs Plantarium zelf, is gisteren door Joop Zoetemelk een tuin gedoopt die op hem en zijn figuur is gebaseerd. Een ontwerp van Peter Zaal.
Zo zullen volgende week tijdens de beurs acht tuinen te zien zijn van inspirerende persoonlijkheden, ontworpen door Jans Bos, Angela Warmerdam, Peter van Dam en Peter Zaal. Een geweldig team.
Zij hanteren de ‘narratieve’ methode, waarbij in het ontwerp gebruik wordt gemaakt van een narratief aspect, het verhaal.
Vertel het verhaal op een beeldende manier, met de ingrediënten van het tuinontwerp en er ontstaat een boeiende en spannende wereld, waarin de kijker of wandelaar veel zal herkennen en dus beleven.
Op de foto de tuin over Salvator Dali in wording, naar een ontwerp van Angela Warmerdam.
Succes gewenst in deze laatste dagen van realisering aan alle vier.
 
‘Op een half uurtje wandelen van de stad Vincenze ligt de wondermooie Villa Rotonda op de top van een heuvel die uitkijkt over het omringende landschap’, zo schreef Goethe op 21 september 1786. Hij was me weer eens voor en ik denk dat hij net zo’n energiek man moet geweest zijn toen, als de nieuwe Franse president nu.
De villa is een vierkant gebouw met een ronde koepel en aan alle vier de zijden geweldige trapportalen met Korinthische zuilen die de deemoedige bezoeker naar boven uitnodigen om binnen te treden. Dan een immense ronde hal met prachtige fresco’s. De kamers zijn aangenaam van maat en smaakvol ingericht. Had ik u al gezegd dat ik er zo’n duizend foto’s heb gemaakt (ik overdrijf).
Er zijn een paar momenten in het leven dat men plots en onverwachts stilstaat, hetzij van bewondering, of van onvermogen, van uitputting, verbazing of overmacht. Bij mij was het bewondering voor de in Padua geboren architect Andrea Palladio (1508-1580), de meester en bedenker van de klassieke villa’s en paleizen waarvan er vandaag nog tientallen te vinden zijn en zelfs enkele te bezoeken. Vooral in Vinzence, eentje in Padua, enkele in Venetië en een aantal op het platteland. De Villa Rotonda is zo een beetje zijn meesterwerk dat op allerhande manieren is geïmiteerd en nagevolgd.
Men zal maar tussen zoveel schoonheid geboren worden. Ik ben jaloers op die Italianen en tegelijk kwaad dat ze er tegenwoordig niet meer van bakken, getuige hun bedrijventerreinen – waar het van barst.
Het is half augustus en de tijd van de spinnen is weer aangebroken. Overal zijn ze plotseling en in de vroege ochtend zie je overal spinnenwebben in de struiken en de coniferen hangen.
De dauw zal ook niet lang meer op zich laten wachten, die zal dan in de webben als druppels hangen en romantische herfstfotografie opleveren, en dan, voor je het weet, is het jaar naar de herfst getuimeld.
Niemand die je waarschuwt, nergens een bordje onderweg.
Lees in een Duits weekblad een verhaal over een Engels bedrijf dat doolhoven aanlegt. Gemaakt met gesnoeide hagen en te vinden in tuinen en parken. Je moet er een behoorlijke tuin voor hebben want een doolhof heeft al snel een grote maat, anders werkt de spanning niet en daar gaat het juist om. Het zet mij aan het denken. Vroeger moet een doolhof een waar lustoord der zinnen geweest zijn, boordevol sensuele gevoelens en vol van ervaringen met de spanningen van de erotiek. In de moderne tuinen of parken komt de doolhof (het doolhof zou mooier klinken, maar is helaas niet juist) minder voor en wordt nog slechts zelden aangelegd. Een beetje B-film uit India of Egypte heeft meer erotiek in zich dan een doolhof zult u zeggen want onze onschuldige gevoelens zijn zo afgestompt door de brutaliteit en de grofheid van met name de televisie dat wij niet meer over de vroegere nuances in emotie die een doolhof opriep beschikken.
Vorige maand in Italië, zag ik in de baroktuin van Valsanzibio (www.valsanzibiogiardino.it) waar ze een historische doolhof als onderdeel van de tuin netjes verzorgd en geknipt hebben liggen, omringd door een zes meter hoge buxushaag. Nou was het niet zo druk in de tuin en gelukkig waren er geen bussen leeggestroomd in een stop als onderdeel van een Grand Tour langs cultureel Europa, maar desondanks waren de weinige mensen wel degelijk in of rond de doolhof te vinden. Het heeft toch een bijzondere aantrekkingskracht. Overigens is er een groot verschil tussen een doolhof en een labyrint. In een doolhof raak je de weg kwijt en dien je soms wel eens terug te keren op je stappen om vervolgens een andere route te nemen. In een labyrint kun je de weg dan wel niet overzien, maar je moet hem slechts volgen om bij de uitgang te komen. Je kunt niet verloren lopen. Het schijnt dat deze laatste – misschien wel als symbool- in de hedendaagse tijd weer meer belangstelling heeft. Het verloren lopen was iets van vroeger tijden, nu wil men zeker weten dat de weg ergens heen gaat, al kun je niet zien waar die heen voert.
 
De rust van de zondag, eens een van de peilers van onze normen en waarden, beschermd door onze burgerzin en christelijke moraal, is tegenwoordig geen bezit meer van de mensen. Men geeft niet om rust, men rent en vliegt achter alle sensaties aan. Nee, de eerbied voor de zondag schuift naar het Openluchtmuseum. Men maait het gras, men timmert aan een dakkapel, men schuurt en schaaft en maakt herrie. Men begint op zondagochtend een uurtje of twee later. Uitslapen, laat ontbijten, wat neuzen in achterstallige kranten of gekeuvel over het WK Atletiek met elkaar. Niks op tegen, eigenlijk heel gezellig. Buiten blijven de straten even verlaten. De fanatieke sporters en natuurliefhebbers zijn al bij het verschijnen van de eerste zonnestralen vertrokken en de rest van de mensen vertoeft nog binnen.
Zo niet de vogels. Waar vroeger de merel uit het bos een steeds grotere cultuurvolger was en zich opsplitste in de bosmerel en de stadsmerel, zijn nu de houtduiven, de eksters, de kraaien en zelfs de spechten de bewoners van onze tuinen tijdens de zondagochtend. Tussen acht en tien, naar gelang het weer. Daarna zijn ze verdwenen, naar waar ze normaal wonen. Ik neem de tijd om naar ze te kijken, vanuit een stiekem hoekje achter het raam, en zie dat ze eigenlijk helemaal niet naar de stad komen om eten te zoeken. Wat zou het, het is hoogzomertijd en de velden, de struwelen en de bosranden barsten van het voedsel. Nee, ze komen om te kijken en te spelen. Het zijn net mensentoeristjes, op uitstap. Op excursie naar het mensenland. Ze springen op het asfalt rond, tussen de auto's door en vliegen van schuurtje naar schuurtje. Een lawaai van jewelste, maar ze kunnen ongestoord hun gang gaan.
“Kandla grey. Dat vinden wij supermooi”, zeiden ze in koor. Nu, maanden later, leggen we oprit en terras aan bij hun pastorijwoning. Belgen kiezen vaak voor deze nostalgische bouwstijl. Als paddenstoelen grondvesten ze zich hier, die lookalikes met onze vroegere burgerijhuizen. En daar horen nu eenmaal traditioneel getinte verhardingen bij. Geen oude Belgische kassei, waar ons landje zo voor geroemd. Neen, we zien alsmaar meer heil in de nieuw ontgonnen platine.
 
Gebrom vermengt zich met ons ritmisch kasseigetik: de buurman rijdt zijn sportauto defilématig de garage uit. Mijn compagnon, autofreak, smelt. Hij laat stante pede zijn kasseihamer vallen, tolt de ogen en dramt simultaan een lijstje af alsof was het een examen: “580pk’s, V8 motor, 100m in 3.2seconden,,…”. Zijn geile praat eindigt met een filosofische toets : “Met het kloppen van kasseien krijg ik die slee nooit betaalt.” “Weet jij waar deze kasseien vandaan komen?”, repliceerde ik, al rustig verder tikkend. “Uit India, maatje. En gekapt door kinderen”, terwijl een tv-reportage die ik eerder zag, voor m’n netvlies flitst. Die documentaire bracht, vreemd genoeg, geen golf van verontwaardiging teweeg. De volgende dag werden er weer lappen vol kandla’s getikt. En ik doe het net zo.
 
Grote ontginningsbedrijven in India vernielen landschappen en dumpen hun steenresten in de krottenwijken. Kinderen, velen niet ouder dan 8 jaar, zitten niet op de schoolbank, maar blootvoets op de grond. Zo behendig als een aap, stuk steen tussen de voeten gedrukt, maar onbeschermd. Met een schamel hamertje kappen ze dagelijks een 100-tal platines. Open wonden en blaren tekenen zich af op handen en voeten. Elk minuscuul stukje steen, waar nog een platine in vervat, krijgt een tweede leven. 2 roepies (€0.03) per kassei.
 
“Wij dragen hier rubberen knielappen, dubbel gelaagde handschoenen en kalfslederen laarzen,… Dus zo slecht hebben we het niet toch?” Mijn compagnon kijkt verbijsterd, knielt en gaat broederlijk verder aan het tikken. De Mercedes lijkt op slag lucht.
 
Als tuinaannemer werken we liever niet met materialen waaraan bloedgeld kleeft. Het gelach van onze baksteen in de maag betalen de Indische kinderen. Zij ondervinden de “bloed, zweet en tranen” in letterlijke zin. Doel- en eindeloos. Dit gaat niet enkel op voor India. Ook de Chinese arduin, Vietnamese hardsteen,… gaan jaarlijks in tonnen overzee richting Europa. Het is een beetje de hypocrisie van het Westerse kapitalisme: het onmenselijke gebeuren is ver van ons bed van zodra we zelf voor deze producten kiezen. Op onze keuze staat geen maat: “We wensen een mooie en betaalbare oprit.” Ons landje is echter wereldbekend om zijn gebakken kleiproducten, blauwe hardsteen, graniet, leisteen en kassei. Is het onze plicht niet de klant in te lichten, ze videobeelden van de kandla-ontginning te tonen? Hen hierbij ook te wijzen op de eco-voetafdruk die de import van de dubieuze tegenhangers teweeg brengt? De milieubelasting is immens: tientallen transporten met vrachtwagen, heftruck, bulldozer en schip gaan de uiteindelijke plaatsing vooraf. Zou de klant onze oprechtheid dan niet op prijs stellen en ons belonen met extra vertrouwen? Of primeert de zekerheid en het eigenbelang omdat we de jaarbalans met een plus moeten beklinken?
 
Overheden moeten onduurzame ontginningen afremmen en de afname van lokale producten, afkomstig van eigen bodem, aanmoedigen. Dat er heden in eigen land nog pleinen en straten worden geplaveid met de pendanten uit het buitenland tart de verbeelding. Laat dat al ophouden.
 
Roeland Vranckx, Tuinarchitect
Tien jaar geleden stierf de Deense landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson. Hij zou nu 90 jaar zijn. Ik stond toch even wat langer naar buiten te kijken toen ik het indertijd las. Ik kwam weer thuis en liep de kranten en de tijdschriften na en in Garten & Landschaft stond het bericht. De man die onder meer het Museumpark in Amsterdam ontwierp was gestorven. Niet iedereen was enthousiast over zijn ontwerp in Amsterdam, maar hij kon er zo mooi over praten. In zijn gebroken Engels vertelde hij dan over de Hollandse luchten die in de stad te zien moesten zijn en een plaats moesten krijgen. Die lucht, die de geest ruimte moest geven en de stadse mens een verbondenheid met de elementen moest bezorgen. Daarom wou hij geen groen plein of geen park maar een open ruimte, die het plein nog steeds kenmerkt; tenminste voor zolang als het nog duurt, want er gaan stemmen ...
Ik heb tijdens de Doornboslezing in Den Haag in 1996 ademloos naar hem zitten luisteren, naar die kleine tengere man die kwam praten over de noden van het stadspark. Hij het zo klein vertellen, als een tuinman die uitlegt hoe simpel het verzorgen van een mooi bloemperk kan zijn.
Ik wou dat ik hem beter had kunnen leren kennen.
Een veel voorkomend tafereel in het Vlaamse verstedelijkte landschap: een bombastisch paneel met opschrift ‘al tien van de twaalf woningen verkocht’. Het fluo opschrift werd over een prachtige, driedimensionale presentatie van een appartementsgebouw in aanbouw geplakt. Opvallend: de impressie op het straatbord toont verhoudingsgewijs eenderde tuin. De rest van het beeld is ‘gebouw’ en een paradijselijk blauwe lucht met wolkjes.
 
Ik informeer bij de bouwpromotor naar de groenplannen. De aanbesteding is eenvoudig: zoveel m² lonicera, m² gazon, m² liguster. Geen specificaties omtrent de plantgrootte, het graszaadmengsel, de noodzakelijk grondverbetering... Zelf in te vullen? Of een zoektocht naar de goedkoopste en snelste oplossing?
 
In alle naïviteit hebben we even nagevraagd of een meer doordacht voorstel ook welkom was. Een voorstel mét bomen en met een gelaagde schikking van planten, variatie in onderhoudsextensieve plantensoorten, accentuering van de entreeruimtes, bomendreefjes van Amelanchier, integratie van kleurrijke nectarplanten, trotste Paulownia’s,… . Dit geschakeerde palet betekende slecht een kleine meerprijs van 1500€, zo werd berekend en meegedeeld. Tevergeefs. De voortuin werd gebanaliseerd tot het oorspronkelijke ‘idee’: een egaal vlak van 250m², van voorgevel tot straatlijn, miserabele loniceraplantjes. Een fris en glanzend blaadje, dat wel. Maar het duiveltje in mij zou niet treuren indien een hardnekkige lonicera-ziekte, in navolging van de huidige buxusmalaise, de kop opsteekt. Het zou de beeldkwaliteit van vele parken, pleinen en tuinen alvast ten goede komen.
 
Slimme projectontwikkelaars en architecten fleuren hun verkoopsbrochures graag op met bomen en groen, bijtjes en bloemen, bankjes en kuierende mensen (liefst moeders met buggy’s en rondborstige mannequins) om hun saaie schoendozen aan te kleden en te verkopen. Maar bij oplevering, wanneer alle verkoopsovereenkomsten getekend zijn, is dat verfrissende tuingeheel ver te zoeken. Dan tellen alleen de euro’s. En de nieuwe eigenaars, die een huis met oogstrelende boomkruinen dachten te krijgen, komen bedrogen uit.
 
Je buigt soms beter het hoofd als je voor werkzekerheid kiest. Maar de goede tuinier in ons krijgt dat moeilijk over zijn groene hart. Contra uniformisering en verloedering van de (semi-) openbare ruimte, moet de leuze blijven. Ja, meneer de ontwikkelaar, zelfs gras verdient een deskundige aanleg en met lonicera houdt het tuinverhaal heus niet op.
 
Ik blijf liever naïef.
 
Roeland Vranckx, Tuinarchitect
In de Dom van Padua (spreek uit als Padova) staat in een van de binnentuinen een boom, een Magnolia soulangiana uit 1810. Die boom is dus ouder dan België dacht ik en hij is nog wintergroen ook. Misschien kent u deze bomen met hun glimmende bladeren die wat op Ficus lijken, zij weerspiegelen het licht van de dag.
Alle pleinen voor de kerken zijn hier leeg, met enkel duiven die opvliegen omdat kleine meisjes van vijf of zes jaar in roze pakjes dwars over het plein willen rennen. Achter die meisjes lopen dan weer papa’s, want het zijn niet alleen de mama’s in Italië die een rol te vervullen hebben. Met name de jonge papa’s zijn heel actief en sleuren met wagentjes, tillen de dochtertjes op hun schouders terwijl ze voetballen met de zoontjes en lachen naar die mama’s. Net als in de film. Oh die Italianen toch…
Verder ben ik vreselijk jaloers op die Italianen die de kunst van het eten zo goed verstaan. Kleine fijne dingetjes, veel dingetjes maar allemaal klein en fijn. Beetje gebakken groenten, lichtgroene lange smalle courgette in lapjes uit de oven, trosjes licht gebakken paddenstoelen, tomaatjes als pareltjes, knoflooktenen in saus, verse vis uit de oven, wat vlees van de gril. Wat wilt u? Tortellini met basilicum. En daarna? Salade van de bar. En daarna? Gebakken vis. En daarna? Lamskoteletjes. En daarna? Teramisu…
Ik begin steeds meer op Petrarca te lijken...
Dit slaat natuurlijk alleen op mezelf, want heel Italië is al ontdekt, ik kan het alleen nog eens nalopen of het allemaal klopt wat de brochures, boeken, reisgidsen en het internet vertellen. Zoete ontbijtjes, de warm water thermen in de heuvels, een taal die in elk woord een halve roman verbergt, wegen die door en over het glooiend landschap voeren en cipressen die altijd in de verte blijven staan. Nog even door tot die bocht, dan nog even tot die volgende bocht…
En dan zijn er de villa’s... Wij noemen dat landgoederen of buitenplaatsen alsof het dingen zijn, maar daar zijn het oorden, aankondigingen van het paradijs, vermoedens van de ultieme elegantie die er in het leven kan bereikt worden. De Villa Gamberaia, de Villa Rotanda, de Villa Valsanzibio en al die andere. Wat een land, wat een cultuur. Ze zijn terecht wereldkampioen elegantie, die Italianen. Uitgetekende tuinen, serene dorpen, zwijgende landschappen.
Ook in het huis van Petrarca geweest, bovenop de heuvel. De man die al in 1336 de schoonheid van het landschap beschreef en er de dimensies ruimte en tijd aan toevoegde. In de kamer stond een beeldje van hem, gemaakt bij zijn leven, van een tevreden en wat dikbuikige man met een rond gezicht. Misschien ga je daar beter van schrijven.
Als de zomer niet bestond, hadden we hem moeten uitvinden. De tijd om even afstand te nemen, bij te laden, te reflecteren op gedane zaken. Tijd voor jezelf en elkaar, los van de dagelijkse beslommeringen. Genietend aan een vakantietafel, met culinaire geneugten of een gesprek ondereen. Je zoon, je dochter, je man, je vrouw, je moeder of vader, die zijn ineens belangrijker dan alle rest. Als je dan nog samen door een mooie tuin kunt wandelen op vakantie, dan doet al de rest er niet meer toe.
Het weblog gaat er ook even tussenuit en wenst alle lezers een mooie tijd. Dank aan alle trouwe lezers en nogmaals dank aan ieder die een bijdrage leverde: Bart, Marloes, Tom, Eveline, Jans, Eric, Adrienne, Ruud, Julia en Marjan. Goede zomertijd.