Laatst kwam Norbert Peeters als gastdocent bij de cursus Ontwerpen met Beplanting. Hij vertelde over de wonderlijke wereld van de verspreiding van plantenzaden over de wereld en alle technieken die de plant daarbij verkregen had van moeder natuur. De meest ingenieuze middelen liet hij ons zien, in powerpoint-beeld of in fysieke toestand op zijn tafel. Het bleek dat veel planten, althans hun zaden, in staat zijn tot het overbruggen van grote afstanden, over zeeën en oceanen, gebergten en woestijnen, om zelfs tot in andere continenten te geraken en daar te ontkiemen. Hij vertelde over Darwin en Malthus; hij vertelde over Agassiz en von Humbolt. Hij vertelde over autochrie en anemochorie, over de Javaanse vliegende komkommer en het Zeehart. En hij kan vertellen, warm en intelligent, met die rustige stem en die kalme zekerheid die kennis je geeft. Uit al die verhalen bleek echter dat geen plant ter plaatse wil blijven, maar zoekt naar een nieuw territorium. Net zoals de vogels dat doen, dacht ik nog terugdenkend aan mijn biologielerares, die daar ademloos over kon vertellen. Dus bestaat er niet zoiets als inheems, en is de zin van een heemtuin volkomen absurd. Je raadt het al, er volgde een stevige discussie, met voor en tegens. Met veel vragen en twijfels. Een pit die kleeft aan een vogelsnavel en meegevoerd wordt is natuur, maar een weggegooid klokhuis is biotoopvervalsing.
Ik moest in elk geval denken aan al die cijfers en feiten waar wij elke dag weer mee opgezadeld worden, over de gemiddelden en de normalen. De getallen en de waarden. Het is drie graden warmer dan normaal. Het is het koudste jaar van de eeuw (en we gaan nog maar naar 2017). Alsof de natuur enkel en alleen netjes geregeld wenst te zijn. Alsof die stilstaat bij zulke details. Neen, natuur is dynamiek en beweging, vogeltrek en emigratie, massabeweging en vernietiging, verspreiding en verovering. Voortdurende beweging en verandering. Geen gesloten deuren dus, of muren, of grenzen. Laat ons er een voorbeeld aan nemen.
Midden in de ligusterhaag zat een winterkoninkje. Het was een heel gewone ligusterhaag en een heel gewoon winterkoninkje. Het was een Troglodytes troglodytes, een klein gedrongen vogeltje van ongeveer tien centimeter met een opgewipt staartje. Roodbruin, op de rug donkerder dan op de buik. Als je goed keek zag je zijn lichte wenkbrauwstreep, of verbeeldde ik me dat nou in de snelheid. Want prroetsch, weg hipte hij al weer, een paar takjes hogerop. Hij keek me strak aan, met een warmbruin oogje, van opzij, dan, het hoofdje snel draaiend, met het andere oogje. Een voor een, alsof hij wou checken of ze wel hetzelfde beeld gaven. Het leek of er traantjes aan zijn oogjes hingen, wat niet kon want vogeltjes huilen niet, dacht ik nog.
De ligusterhaag was al tamelijk oud, een beetje kaal aan de onderkant hetgeen voor de vogels juist fijn was want dan konden ze er zo invliegen. Daarbinnen zaten ze veilig beschut en kon niemand ze zien, behalve de poes natuurlijk want die ziet alles. Het was een Ligustrum vulgare, een doodgewone liguster zoals die in boerentuinen en volkstuintjes wordt gebruikt. De schrik van de tuinbourgeoisie zeg maar, want die houden alleen van beukenhaag en taxus. Maar winterkoninkjes niet, die kiezen de struik waar de meeste insecten in te vinden zijn, spinnetjes vooral. Bovenaan was de haag mooi volgroeid, alhoewel je dat nu in de wintermaanden niet goed zag want alle blaadjes hingen wat slapjes naar beneden van de kou. Hier en daar zaten blauwzwarte besjes voor de merels, daar waar van de zomer de witte bloemtrosjes hadden gezeten die niet waren afgesnoeid door de tuinbezitter, want recht is recht.
Het vogeltje keek me lang aan, alsof het nadacht. Heel persoonlijk en privé, niet zoals de meeste andere vogels die zo doods zijn in de ogen. Zijn ze daarom misschien een paar jaar geleden als vogel van het jaar gekozen, dacht ik? Ik wilde hem teken geven om te feliciteren met die prijs. Stom, want die vogels weten niets van een prijs, en hij flitste alweer weg, dieper de haag in en achterlangs eruit.
Want het was maar een doodgewoon winterkoninkje midden in een doodgewone ligusterhaag.
In de kamer ruikt het naar dennennaalden en de zware geur van gebraden wild komt uit de keuken. De ruimte is gevuld met muziek, met het Weinachts Oratorium van Bach. Het is kerst.
Het koor zingt:
Dass dieses schwache Knäbelein
Soll unser Trost und Freude sein
Alle noten van dit oratorium zijn gekonfijt met een laagje weemoed, over dat wat nog komen moet en Bach pas in de Matthäus zal openbaren. Al weten wij het al wel, hoe het verhaal eindigt.
Nu is het pas Kerstmis, en dat hoor je, want Bach lijkt niet in staat om de dramatiek van het verhaal te exposeren, niet zoals hij het bij Pasen zal laten klinken. En toch is deze ganse muziek vervult van een droeve bestemming, met een hang naar hoop.
Zo klinkt het ook in een aria:
Erleucht auch meine finistre Sinnen
En de solisten zingen iets later tegen elkaar: ach wanneer zal de tijd eindelijk aanbreken, wanneer komt dan de troost?
Maar dan antwoordt een andere soliste:
Schweigt, er ist schon würklich hier!
Dat is pas hoop geven, wat Bach daar doet, met dat ene enkele zinnetje. We moeten niet zo zeuren, het is er allemaal al, we moeten het alleen zien.
De overbuurvrouw stapte met voorzichtige passen door haar voortuin. In de rechterhand een snoeischaar, in de linkerhand enkele geknipte takjes. Ze was duidelijk op zoek naar elementen voor een kerststukje of een kerstkrans. Ze nam telkens grote stappen door haar voeten één voor één tussen de planten te plaatsen. Bukken, kijken, opstaan. Kijken, bukken, knippen, opstaan. Knippen, laten vallen, bukken, opstaan. In een onregelmatig ritme. De hand werd te vol, ze kon de takjes niet goed meer vasthouden en besloot te stoppen en terug te keren. Dat zag je aan haar houding. Nog eenmaal keek ze rond, in een laatste grote boog, de planten en struiken evaluerend voor een allerlaatste knip. Neen, niets kon haar verder de tuin inlokken, ze had duidelijk de nodige ingrediënten voor haar creatie. Terug naar binnen.
Deze onschuldige beweging, hoe klein dan ook, is waarschijnlijk de doeltreffendste manier om weer even in contact te staan met de tuin. De rode bessen van de hulst en de taxus, de wintergroene blaadjes, de krullerige takjes van de hazelaar, de winterbloemen. Alles wordt door het oog betast en met de blik onderzocht. Onbewust is de ronde in de tuin gedaan, zijn enkele zaken in het hoofd genoteerd om straks bij het heldere weer van januari aan te pakken. Nu snel naar binnen om in de huiskamer een vleugje van het wintergroen te brengen.
Het is niet alles donker zo vlak voor Kerstmis.
In de tweede lesdag wees Sanne Horn de cursisten erop steeds goed na te denken over de oorsprong van een plant alvorens die te gebruiken op een plek waar zij niet thuis hoort. Ga na waar de plant vandaan komt, uit welk milieu.
Ik moest onmiddellijk denken aan Noortje B. die mij een hartverscheurende brief schreef. Waarom gaan de planten op haar balkon altijd zo snel dood? Bij navraag welke planten Noortje dan wel niet op haar balkon had staan, moest ik eerder denken aan een schaduwrijk bos dan aan een terras op 12 hoog. Wat zijn de kenmerken van je balkon, vroeg ik haar.
Wel, het is er altijd winderig en alle planten staan de hele dag te bewegen. Die wind blaast alles droog, dus moet ik elke dag water geven. Het is er in de winter veel kouder dan ergens anders en in de zomer veel heter. Het ligt pal in de zon, maar als het regent wordt het er snel heel nat.
Kortom, antwoordde ik, alles is er extremer dan in een normale tuin tussen het gras en de schaduw en de beschutting van de bomen. Waar doet je dit aan denken?
Welk milieu lijkt hierop, heeft dezelfde extreme omstandigheden? Juist, het mediterrane gebied. De mistralwind blaast er onophoudelijk, het land ligt te blaken in de zon, het is er droog en stoffig, koud in de winter. De bodem bestaat uit rotsen, hard en grillig. Alle planten maken als vanzelf harde houtige takken en stengels, die grillig omhoog kronkelen. Als we nou eens alleen mediterrane planten gebruiken op jouw balkon? Lavendel, tijm, rozemarijn, een Pinussoort die klein blijft in een pot? Die planten houden van extremiteiten in het weer en al ben je enkele dagen afwezig of op vakantie en krijgen ze daardoor geen water, zullen ze niet eronder lijden.
Moet je eens met een Hosta proberen, dacht ik nog.
Een stilleven roept om onze aandacht. Door aandacht te schenken (wat een mooie uitdrukking) zal men ook daadwerkelijk aan iets denken, dat is immers de essentie van aandacht. Een tuin als een stilleven doet ons denken en door zijn verstilde verschijning doet hij aan iets anders denken dan aan het normale, het alledaagse. Wij dwalen weg, we dromen, we mijmeren… De tuin is een plaats of een mogelijkheid voor meditatie, een plaats voor contemplatie, het overpeinzen en beschouwen. We hoeven niet direct in een zen-tuin verzeild te raken, maar de verbeelding van het bijzondere (het goddelijke?) van de gewone dingen is ook al iets wat ons zal verheffen tot een ander soort kijken naar een dergelijke stilleventuin. Door het gewone kan men namelijk het buitengewone zichtbaar maken. De beroemde Karesansui zen-tuin in Japan is daar een goed voorbeeld van, hoe met slechts enkele stenen op een aangeharkt grindbed een onbekende fascinatie ontstaat. Het zichtbaar willen maken van iets anders dan wat er aanwezig is, is een wens die wij allemaal hebben, ook om te realiseren in de tuin: de tuin staat voor iets anders. Voor het leven, voor de natuur, voor rust of gezondheid. Het is een poging te verwerkelijken, een beeld te maken. Beeld verwijst naar verbeelding. Het verbeelden laat de geest werken, maakt van het gewone iets buitengewoons. Daardoor kunnen wij in een tuin, die als een stilleven is geschapen, weer in contact komen met het buitengewone in de dingen, door ze aandachtig te beschouwen. Dat heeft iets plezierig plechtigs, iets dat ons met eerbied doet vervullen. Zoals de geschilderde stillevens uit de 17de eeuw de vergankelijkheid des levens zinnebeelden, zo kan onze tuin als een allegorie worden beschouwd en een compositie zijn van het eigen leven. Een frappant aspect zou kunnen zijn dat men de tuin niet mag (of kan) betreden. Kan enkel bekeken worden. Er is dus een letterlijke afstand, een grens, want men is fysiek in een andere ruimte. Dat kan de woonkamer zijn, de keuken, de slaapkamer of zelfs onder het afdakje van de schuur. Zolang wij maar gescheiden zijn van de tuin zal het kijken ernaar eerder een beschouwen zijn dan een bekijken. En terwijl wij kijken, denken we. En terwijl we denken, zweeft onze geest weg, op zoek naar ons zelf. Mooi toch, zo’n tuin.
Er is een spannend moment aangebroken voor mij, een hoogtepunt in het jaar. Het is een zich jaarlijks herhalende gebeurtenis, een fenomeen. Geen traditie, neen, zo kan ik dit niet noemen. Het komt puur door mijn eigen aanzet dat het plaats vindt, want zonder de wil van mijn persoon zou er gewoon niets gebeuren. Het zou niet tot uitvoering komen. Niet geschieden. No happenen. Ik kan echter niet anders, ik ben er volkomen van afhankelijk, heb mezelf er totaal ondergeschikt aan gemaakt. Ik zou reddeloos verloren zijn zonder, een nitwit, een sjniggel, een schlemiel.
Ik geef toe dat het zich dit jaar wat vroeger manifesteert dan andere jaren en dat het door mijn eigen beslissing komt. Ik was zenuwachtig en wou dat er iets zou veranderen. Dan maar de grote middelen dacht ik. Dat eindeloze wachten tot er iets zou gebeuren kon ik niet langer meer volhouden: ik gaf opdracht tot de operatie, checkte de voorraad in de betreffende winkel, bepaalde vorm en kleur via de telefoon en wachtte rustig af. Door de beslissing alleen al kwam de rust weer in het vege lijf terug en vanmiddag, zo tegen kwart over vier was het zover: mijn nieuwe agenda voor 2017 werd gebracht.
Hier zit ik nu en ik weet dat dit een paar uur zal duren, want pas langzaamaan zal ik beslissen, stapje voor stapje, wat ik er eerst in zal zetten. Want ik ben nog van de pre- smartphone tijd, ik begin elk jaar het leven weer helemaal opnieuw. Dat kleine facet bepaalt namelijk de teneur van het hele nieuwe jaar. Stel je voor dat ik als allereerste zou schrijven op die of die dag: tante Truus jarig. Dat wordt dan het jaar van Tante Truus. Nou heb ik gelukkig geen Tante Truus, maar als voorbeeld. Of je schrijft als eerste op bijvoorbeeld 3 februari: concertgebouw Amsterdam 20u15. Dat is pretentieus. Of je schrijft als eerste feit op woensdag 4 januari om 10u00 vergadering met die of die. Dat is teveel eer voor die bepaalde persoon. Of het laat vermoeden dat het hele jaar in het teken van het werk zal staan, ook niet goed. U ziet, het zijn problemen. Moet ik als eerste mijn naam schrijven bij eigenaar? Alsof alles alleen maar om mij draait, ook niets. Vroeger kon je dat nog relativeren door bij je adres het land te schrijven en dan Europa en dan De Wereld en dan Het Heelal. Durft u dat nog?
Meestal los ik dit dilemma op door eerst de kerstdagen aan te duiden, de kindervakanties en de klimdagen van de Tour de France. Maar dat laatste mag ook al niet meer en al die kinderen hebben allemaal andere dagen vrij, dus dat schiet ook niet op. 
Ik leg de agenda voorzichtig op de rand van mijn bureau en besluit er morgen verder over te denken.
Ik moest mijn gedachten verzetten, want anders zou ik eeuwig in dezelfde gedachte zijn gebleven. Daarom heb ik mijn gedachten ontspannen, zodat ik even niet meer in gedachten was.
Let op, de gedachten verzetten is iets heel anders dan van gedachten wisselen. Dan krijgt men namelijk nieuwe gedachten, andere gedachten. Dan is men eigenlijk weer van voor af aan begonnen.
Dat gebeurt niet als men de gedachte verzet. Die kan men dan later weer terugzetten. Tenzij men zich in gedachten verliest. Dat is niet goed. De gedachten worden dan bepalend en men verliest de strijd.
Men weet het niet meer, doet maar wat, werktuigelijk, louter in gedachten.
Neen, gedachten moet men kunnen veranderen. Eerst moet men natuurlijk wel zijn gedacht ergens over hebben. Logisch, als je het niet hebt dan kun je het niet veranderen. Zonder gedachten zijn, heet dat. Ook niet goed.
Men moet dan snel op een gedachte komen, zodat de ander kan zeggen: ik geef je een cent voor je gedachte…
Men kan dan antwoorden dat het niet gaat, want dat de gedachten elders zijn.
Maar waar zijn dan toch je gedachten, zegt de ander.
Wel, ik weet het niet, repliceert men, dat gaat mijn gedacht te boven.
Ge moet uw gedachten erbij houden, zegt de ander, want anders kunt ge uw gedachten er niet eens over laten gaan. Ge moet toch een gedacht hebben!
Okay, ik zal er mijn gedachte over vormen en niet meer op twee gedachten hinken.
Tenslotte moet men zijn gedacht volgen.
Ja, dat had ik ook gedacht.
Gisteren ging ik naar de zorgboerderij, waar mijn bakker zit. Die is gelegen op een voormalig landgoed aan de rand van de stad. Voorheen was er een biologisch-dynamische landbouwschool, maar die zijn vertrokken naar Dronten. Nu kunnen er bewoners als in een soort therapie werken bij de landbouwactiviteiten, in de boomgaarden en in de bakkerij. Dat brood en de groenten en het fruit verkopen ze in hun eigen winkeltje. Beetje alternatief maar alles is even lekker en verleidelijk en in deze tijd van het jaar is het er levensgevaarlijk vanwege de reuk van de speculaas, de appelflappen en de kerststollen. Men komt er niet meer weg.  Ze hadden bakjes met cantharellen te koop en daar ben ik dol op, maar dat is weer een ander verhaal.
In de weilanden naast de Linge zaten duizenden ganzen rond een paar wat schuchtere Belgische trekpaarden. Overal in de heggen tussen de bessen van de meidoorns sprongen er diverse soorten vogels, in de oude perelaars hingen en buitelden de staartmezen en op de boerderij zelf sprongen en wipten de eksters. Brutale rakkers zijn het, hetgeen terug te vinden is in hun mooie Latijnse naam: Pica pica. Als een oerkreet.
Een bijna koninklijke vogel, met zijn statige zwart-wit-blauw kleuren. Tegelijk is hij een edelman, zoals hij kan opspringen terwijl hij met zijn lange staart op en neer wappert én is hij een commandosoldaat zoals hij uit zijn glijvlucht op de grond kan neerdalen. Als hij iets ziet wat de aandacht trekt zal hij zich met kleine sprongetjes zijwaarts bewegen. Hij kijkt je aan als een schalkse nar die afwacht of je zijn brutale opmerking wel goed verstaan hebt, om dan vervolgens met zijn vrienden, als ware diplomaten te gaan overleggen. Ze leven in groepen en komen zelfs de laatste eer betuigen als een van hen overlijdt. Ik heb minutenlang staan kijken hoe ze over het erf bewogen, als was er een militaire oefening bezig. Uiteindelijk kon ik niet weerstaan aan de reuk die uit de bakkerij naar buiten waaierde.
Het leek me zo mooi om te schrijven over een wandelende tak. Al was het alleen al vanwege de titel. Het klinkt als een gedicht. Als je niet zou weten dat ze bestaan, zou je denken dat het om vervreemdende poëzie zou gaan. Zoals Dode Lente of Wassend Water. Zwarte Sneeuw is ook een goeie of Stille Zomer, Brandend Zand, Dode Zee.
Maar iedereen van ons kent ze vanaf de eerste les biologie op de middelbare school, want in het biologielokaal staat overal in het land een glazen terrarium op een van de vensterbanken met een brandende lamp erop. De eerste paar keren zie je eigenlijk niets en denk je dat de bak leeg is. Na enkele lessen zei de lerares koeltjes dat er wandelende takken inzitten…  Rinnnnnggg daar ging de bel en iedereen bleef stokstil zitten. Dan (het was gelukkig net pauze en we hadden even tijd) duwden en wrongen we elkaar weg bij het kleine wonder waar we onmogelijk met z’n zesentwintigen allemaal rond konden staan.
Ik zie er een! Daar, ik zie hem ook en daar nog een! Ik zie er wel drie!… werd uit zesentwintig roodverschroeide kelen gegild, terwijl we allemaal nog meer duwden en dramden om iets te zien.
Bij les twaalf kreeg ik ze ook in de gaten. Die ging over de erfelijkheidsleer van Mendel en was zo saai dat ik naar de glazen bak zat te staren toen ik eindelijk iets zag bewegen. Stram en stijf, houterig en oh zo traag. Maar het bewoog. Ik was er vervuld van, zoals alle kinderen die het voor het eerst zagen. Zoals iedereen.
Vreemd toch dat je er daarna nooit meer aan denkt. Al die jaren en jaren vergeet je ze en is de herinnering eraan volkomen verloren geraakt. Tot je dit nu leest dus.
Gisteren, tijdens het werken aan de presentaties van diverse ontwerpers over een plant, die ze tijdens de Stand Up Plant Show willen presenteren in februari aanstaande, werd door Paul Casteleijn eventjes de boterbloem naar voren gebracht. En onmiddellijk schoten mijn gedachten naar deze plant.
Wat is dat toch met de boterbloem, dat er geen andere bloem tegenaan kan? Geen is zo zacht, zo geel, zo luchtig, zo landelijk en toch zo cultureel.Ze heet eigenlijk Ranunculus, of te wel Ranunculaceae. Mijn moeder sprak van Ranonkels, alsof het knikkers waren. Wij mensen vinden de bloem mooi en landerig, het vee laat ze echter staan want ze zijn giftig. Dat is iets wat wij met onze romantisch blik op de natuur niet kunnen zien, voor ons zijn alle planten lief en aardig. Gelukkig verdwijnt het gif als de plant gedroogd wordt waardoor het hooi er geen last van heeft maar juist eerder een pittige smaak overhoudt. Goed voor de kaas.Het heeft geen zin om op te sommen hoeveel boterbloemsoorten er bestaan, ze zijn met teveel, maar de bekendste is wel de kruipende boterbloem. Die dankt haar naam niet aan het kruipen want in tegenstelling tot de gewone boterbloem is zij juist langgesteeld. Net zoals de scherpe boterbloem helemaal niet scherp is. Dat hoort zo bij plantennamen, anders zouden er geen kenners zijn om ze te herkennen maar wisten we het allemaal.
In het voorjaar staan ze met z’n miljoenen in de weilanden, te wiegen en te deinen in de wind. Hun glimmende bloemetjes lijken wel met zonnebrandolie ingesmeerd. Let er maar eens op, als de bloemen verdwenen zijn, dan is de zomer in het land.
Mooie vraag om aan een klas pubers te stellen.
Ja jij meisje, welke boom zou jij willen zijn? Een lindeboom, ja, die zijn mooi. Een beetje treurig, maar dat mag. Je tovert mensen beter met je kruidige thee en je zoete geuren in de zomeravond. En jij jongeman? Een taxus nog wel! Dan heb je nog tweeduizend jaar te leven en kun je veel wijsheid verzamelen. Word je nog slimmer dan de eiken en die zijn al zo slim.
Een beuk? Nee, niet de beuken, die doen maar alsof. Want die verzamelen niet zoveel, die geven alles weg. Zoals de kastanjes, ook niet zo’n slimme bomen. Beetje vaag, beetje snob.
Ah, wat hoor ik daar achterin de klas? Een ceder? Ja dat is wel wat nietwaar. Die hebben ouderdom en wijsheid bij elkaar. Ze zijn wat droevig maar tegelijk ook blij, ze houden van de Middellandse zee-zon, van de stoffige zomeravonden en van de zware sneeuwval die ze makkelijk op hun takken kunnen dragen. Dus alle tegenslagen zul je overwinnen.
Oh de meidoorn hoor ik daar ook. Dat is heel wat anders, die springt door het leven en vergeet alle zorgen. Dat is een vriend. Iets uit de Franse literatuur.
Zo niet de es die jij daar kiest, die is wat traag en stug, die wil niet zo, heeft moeite met alles en iedereen. Last van verandering.
Zo had ik best een uurtje hebben willen kletsen met de klas, maar ze waren al bij de fietsen.
Tijdens de Open Lesdag kom ik mensen tegen die ik nooit ontmoet heb en waarvan ik einde van de dag het gevoel heb ze een beetje te hebben leren kennen. Door de vragen die ze stellen, de reacties die ze geven op de lesstof. Het eens of oneens zijn met een stelling die ik plaats of de hevigheid van de discussie die we met de groep voerden.
Zo ook gisteren, waar een groep collega vakmensen aanwezig was. In de ochtend hadden we naar aanleiding van ‘het stappenplan’ de nodige gedachtewisselingen. Bij deze methodiek begint iedereen eerst te sputteren, om vervolgens het wel eens te zijn met het geboden inzicht dat men beter af zou zijn om de 7 punten te volgen. Althans, wil men van het ontwerpschap zijn hoofdverdienste maken. Effectiviteit en praktische inzet is dan een vereiste om voldoende inkomsten te verwerven.
Het moeilijke voor mij, is dat alles met alles in verband staat en ik het lastig vind slechts een deel te kunnen vertellen. Het liefst zou ik alles uitleggen, maar ja, dan is het geen Open Lesdag meer. Gelukkig ging iedereen blij en energiek naar huis en hebben we plezier gehad aan het leren kennen van elkaar. Hopelijk zie ik ze allemaal terug op een van de cursussen.
Twee, drie violen, een cello en een piano die om elkaar heen klagen, zoals alleen de Russische componist Dmitri Sjostakovitsj het heeft kunnen schrijven en verklanken. Ze verbeelden, denk ik, de eenzaamheid van Rusland, van de steppe, de toendra, van het individu. Dikwijls weergegeven met een solitaire boom in de vlakte, een eenzame berkenboom. De witte stam, de donkere nacht.
Tegenwoordig zie je in moderne vormgeving van de tuinen overal berkenboompjes gebruikt, witte stammetjes dicht bij elkaar, in een bosje, een groepje, een rijtje. Dat is dan mooi decoratief. Maar eigenlijk, zeker met de muziek van Sjostakovitsj op de achtergrond is het een groepje krijgsgevangenen die eenzaam bij elkaar geklit hun lot ondergaan. Maar geen mens die daar aan denkt.
Bij het opzoeken van iets in een map met notities, viel er een briefje op de grond. Aarzelend raapte ik het papiertje van de grond en begon te lezen. Ik werd blij dat ik dit ooit had geschreven, zodat het nu weer in mijn hoofd kon terugkomen. Het ging om een boek: Landschap en Wereldbeeld van Boudewijn Bakker. Dit is wat ik schreef:
"Na het ademloos en gefascineerd lezen van dit boek ben ik een paar dagen boos geweest op mezelf. Ik nam het mezelf kwalijk dat ik voor dit onderwerp nooit interesse had getoond. Hoeveel schilderijen van oude meesters zijn er niet aan mijn netvlies voorbijgekomen? Waarom heb ik nooit de vraag gesteld: Wat betekenden die landschapsschilderijen in die tijd? Waarom zijn ze op die manier geschilderd? Wat was hun symbolische, allegorische of geestelijke of verhalende verwijzing? Neen, ik keek er alleen maar naar en aanvaardde. Ons tekort is gebrek aan kennis van de context, schreef Kees Fens in zijn recensie over dit boek, waarin hij opmerkte het ademloos te hebben gelezen. Dat maakte mij iets minder boos op mijzelf, als zelfs zulk een oude Meester toegeeft dat hij het niet wist. De wetenschap dat dit boek als proefschrift werd verdedigd aan de Vrije Universiteit Amsterdam gaf ook wat troost. En het feit dat Bakker promoveerde op de dag van zijn 65ste  verjaardag. Het moet hem jaren en jaren van studie en geduld hebben gekost om dit werk rond te krijgen.
In zijn boek onderzoekt Bakker hoe er in de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw werd gedacht over de natuur en over de plaats van de mens en kunstenaar daarin. Een belangrijk kenmerk was toen dat alle zichtbare dingen als teken, symbool of gelijkenis verwezen naar andere (zichtbare of onzichtbare) dingen, en zo, naast de bijbel, een onuitputtelijk reservoir van geloofswaarheden en levenswijsheden vormden. Volgens de traditionele opvatting was het de taak van de schilder om deze kennis in picturale vorm zichtbaar te maken voor het publiek - vaak ook in de vorm van een panoramisch, quasi-wereldomvattend wereldlandschap. Het geschilderde landschap, op die manier bekeken, toonde dus veel meer inhoud heeft dan men gewoonlijk aanneemt."
Een papiertje om voor altijd te bewaren.
Hoe begin je aan een weblog? Door te beginnen (denk aan Confucius: elke reis begint met een eerste stap). Er hoeft geen ouverture of entree. Gewoon beginnen. Toch is het iets dat een deel van de dag gaat bepalen.
Elke dag opnieuw. Elke dag? Ja. Jij durft. Ga je dat volhouden? Wil je dat wel? Kun je dat?
Ik spreek hierbij een ding af: het gaat altijd over ontwerpen, tuinen, bomen of planten. En datgene wat er direct bij hoort.
Dus geen politiek, geen sociale beschouwingen, geen kritiek op de regering, geen oplossingen voor de wereldproblemen. En het is niet de bedoeling de lezer te overtuigen.
Alleen informeren met af en toe een reflectie erbij. Dat is de filosofische grondslag. Geen kunstgeschiedenis, geen historische essays, alleen genieten.
Hopelijk lezen jullie mee.
Het moment is wel interessant, want vanaf morgen staat een reeks van boeiende dagen op het programma. Morgen een Open Lesdag, met een groep ontwerpers en/of hoveniers die ik niet ken en die interesse hebben in de cursussen van het instituut. Hetgeen me telkens weer energie geeft, dat zij morgenvroeg het land doorrijden om naar een lesdag te komen en mee te doen.
Woensdag start de nieuwe cursusreeks van en met Sanne Horn, over 'Ontwerpen met beplanting'. Telkens spannend zo'n nieuwe reeks, met dagelijks overleg en e-mails die heen en weer vliegen. Gelukkig is het aantal deelnemers volgeboekt.
Donderdag dan weer iets heel anders. Dan gaan we 'repeteren' voor de Stand Up Plant Show die begin februari 2017 zal plaatsvinden en waar een 16-tal ontwerpers aan meewerken. Zij komen allemaal op een eigen manier een plant belichten. Met een cabareteske manier van opzet. Beetje á la Meneer Vermeer in Het kantinegesprek. Wie weet zitten er wel boeiende opvolgers bij? Het zal in elk geval lachen worden en ik mag de deelnemers een beetje helpen met ze te regisseren. In de avond hebben we dan een bijeenkomst van een aantal leden van Het Bureau.
Ik zal proberen er zo goed mogelijk verslag van te geven. Al is het nog een beetje uitzoeken hoe veel, hoe lang, hoe gedetailleerd, hoe informatief. Maar daar komen we wel achter, als ik van jullie hoor of het interessant genoeg was om helemaal uit te lezen. Hetgeen spannend wordt in deze tijd van twitterberichten en facebookfoto’s. Terug de macht aan de ‘longread’.