Vanochtend naarstig de voorruit van de auto gewassen. Die zat vol Duitse insecten. Ik moest voor een afspraak vanochtend vroeg vertrekken, in het nog wankele morgendonker van de herfst dat zich voordoet als de eerste schuchtere voorbode van de winter. Wat ik niet wist is dat het vanochtend naar weer zou zijn met harde regen waardoor het schoonmaken tot een volstrekt overbodig werk zou verworden.
Was het daarom nutteloos? Neen denk ik. Want door het nijvere poetsen, de beweging van de arm boven het raam, het draaien van de spons op het venster, het scheppen van het warme water, het uitknijpen van de spons over het glas, het kijken naar het spoor die het witte zeepschuim vormde, kwam ik dichter bij iets dat voor mij van belang was, zonder te weten wat het precies inhield.
Zoiets als de timmerman die zijn nieuwe hamer even in de handpalm weegt om hem te proeven; zoiets als de metselaar die de klinkers even in de lucht gooit alvorens ze tegen elkaar te slaan ter controle van hun lichtheid, zoiets als de boer die zijn hooivork zwierig omhoog laat bewegen alvorens het hooi te schudden; zoiets als de ruiter die zijn leren zadel liefdevol draagt alvorens het met een kordate zwaai op de rug van het paard te plaatsen. Het zijn dingen die moeten gebeuren vanuit een andere orde, zonder reden maar met een doel dat nog ergens ver in het verschiet ligt, op het einde van het gezichtsveld waar de lijnen in elkaar vloeien. Daar ben ik nog nooit geweest, net zomin als de timmerman, de metselaar, de boer of de ruiter.
Luttele dagen. Las ik vandaag in een artikel in de krant. Als ik zoiets lees wil ik het onmiddellijk gebruiken, dus schrijf ik het hier alvast op. Luttele dagen. Luttel komt uit het Engels, van het woord little en van het Hoogduitse lützel, daarnaast van het Nederlandse lutje, Een duidelijk affectief woord schrijft Van Dale, gezien de varianten; verwanten buiten het Germaans zijn niet gevonden. Komt voor het eerst voor in onze taal in het jaar 1200. Daarvoor hadden ze geen luttel en bijgevolg ook geen luttele dagen. Misschien was alles toen veel of ze zagen alles als veel. Luttel betekent weinig. Over luttele dagen zal deze mooie herfst ten einde zijn en het gure weer aanbreken. Luttele uren waren de geliefden bij elkaar alvorens zij moesten scheidden. Luttele minuten resten mij nog voor de klok middernacht zal slaan. Als ik de tijd had zou ik een roman schrijven met als titel Luttele Dagen.
Schroom. Ik las ook het woord schroom. Een niet alledaags woord. Schroom is het gevoel dat voor een handeling doet terugdeinzen. Onze politici zouden wat meer schroom moeten betrachten dacht ik opeens. Een zin met luttele woorden maar een diepe betekenis, want dan zouden we niet in deze cafédemocratie terecht zijn gekomen. Maar nu dwaal ik af en als ik eerlijk ben las ik eigenlijk niet het woord schroom in dat artikel maar het woord pudeur, hetgeen ik niet kende en opzocht. Eigenaardig genoeg klinkt het helemaal niet als schroom, integendeel, eerder als het tegenovergestelde, maar het betekent het wel.
Ik heb pudeur u te vertellen dat ik vandaag niet in de tuin ben, al was het maar voor een luttel ogenblik.

De blaadjes van de katzuraboom straalden vandaag nog meer licht uit. Een heldere zacht gele gloed alsof ze van perkament zijn gemaakt, van de fijnste materie, als hosties van een onbekend geloof.
Waarom zijn ze zo mooi? Waarom vertederen ze? Ze hoeven niets of niemand meer te lokken, geen bijtje, geen vogeltje, geen heks of demon. Waarom dan toch zijn herfstkleuren zo teder en breekbaar?
Overal aan de druivenranken hangen trosjes en ook dat verwijst naar iets herfstigs, net zoals de kastanjes die glimmen in de opengebarsten bolsters. Ook een herfstgevoel. Al die diepe geuren van bosgrond of verse bospaddestoelen. Maar geen is zo krachtig en broos tegelijk als de uitstraling van de katzuraboom. Dat hij nog lang in de tuin mag blijven staan.
 
 
 
In de tuin hebben wij een Katzuraboom, ook wel hartjesboom genoemd. Wetenschappelijk is dat een Cercidiphyllum japonicum. In het Duits heet hij Kuchenbaum of Lebkuchenbaum. Ik hou het meest van zijn Franse naam, Arbre Caramel.
Hij is beroemd om z’n herfstkleur, want de tegenoverstaande hartvormige blaadjes die bij het uitkomen purperbruin zijn en dan verkleuren om in de zomer fris groen te worden met groenblauw aan de onderkant, die worden nu in de herfst onaards goudgeel. Alsof ze licht uitstralen. En dan bedoel ik ook licht uitstralen, dat u niet denkt hij zegt zomaar wat. Uitstralen. Ze stralen letterlijk licht uit vanuit hun bijna transparante goudgele blaadjes. Geelgouden zitten er ook tussen en soms wel eens oranjerode. We hebben geluk dit jaar met de gouden herfstkleuren, de lindebladeren zijn diepgeel, de kastanjes rosroestig gespikkeld, de eiken scharlaken en de beukenblaadjes lijken eerst wat op overrijpe gespikkelde peren tot er langzaamaan een gele gloed in komt en ze het bos beginnen op te lichten. De esdoorns, dat is reine poëzie, daar durf ik mij niet aan te wagen, amper een fotootje van te maken.
En dan was er Ludwig Wittgenstein (1889-1951), Oostenrijks filosoof. Waarover men niet kan spreken dient men te zwijgen, is zijn meest bekende citaat, welk helaas nogal eens geciteerd wordt om uit pure geestelijke luiaardij een einde aan een gesprek of discours te maken. Dat was natuurlijk niet wat de filosoof bedoelde. Volgens Wittgenstein kon weliswaar over ethiek en dergelijke niet gesproken worden, maar waren deze transcendentale zaken wel heel belangrijk. De uiteindelijke levensvervulling vindt zelfs juist hierdoor plaats. Wittgenstein bedoelde dat de dingen zo complex zijn dat ze bijna onbenoembaar en dus onbespreekbaar zijn. Een negatieve filosofie, werd hem verweten.
In zijn Filosofische Onderzoekingen schrijft hij aardig wat over kleur. Met name over het niet kunnen vaststellen van de interpretatie dat wij allemaal dezelfde ‘roodgewaarwording’ hebben als we bedoelen door bijvoorbeeld de kleur rood aan te wijzen. Want is rood een brandweerauto, een tomaat of een ballon? Het is – verduidelijkt Wittgenstein – alsof iemand zou zeggen: ik weet hoe lang ik ben, en ten teken daarvan een hand op zijn schedel legt.
De eerste celliste van het London Philharmonic Orchestra zat recht tegenover mij. Zij op het podium en ik in de zaal welteverstaan, dat u niet denkt …. Slechts enkele meters scheidden ons vanavond, ik schat hoogstens drie meter. Ik kon dus alle details van haar in me opnemen terwijl het orkest Schumann en Shostakovich speelde. Met name in de vierde symfonie van eerstgenoemde componist speelde zij een solo. Betoverend. Zij zat bevallig op haar stoel, zoals alleen een celliste dat kan, recht en elegant met een sierlijke kromming in de rug. Haar haren zat op een dotje. Doordat ze zo intens meeleefde met de muziek bewoog haar hoofd voortdurend en vurig heen en weer en kon ik niet anders dan naar het dotje kijken, zeker ook omdat er een dikke houten pin met een vervaarlijke punt dwars doorheen stak. Wanneer zou zij dat dotje hebben gemaakt, dacht ik. Ik zag haar in gedachten voor me, vanmiddag in haar Amsterdamse hotelkamer, zoals ze zich reeds langzaam in concentratie bracht voor het concert van vanavond. Langzaam werd het haar verzorgd en opgestoken, de haarpin met een geoefend en ervaren gebaar vastgezet. Ze zal waarschijnlijk keurend in de spiegel hebben gekeken, misschien een kleine handspiegel achter zich vasthoudend om ook een indruk van die verborgen kant te krijgen. Dan de zwarte kleding, de modieuze schoenen. De handen heeft ze misschien nog met een verzorgende crème ingesmeerd.
Dat is ook het mooiste bij het geven van een presentatie van een nieuw ontwerp. Wanneer begint dat? ’s Avonds bij de tuinbezitters thuis of in een zaaltje voor de buurtbewoners? Neen, ’s middags al, als alles wordt klaargezet en ingepakt. Langzaam alles nalopend, niets vergetend. Misschien dat extra snoer toch ook maar mee, voor het geval? En die kopie, ja. Een doosje naamkaartjes, goed.
Het is mooi als men dat bij iemand anders ook kan herkennen. Oh ja, en dan was er de muziek ook nog ….
Wat volop bezig is en waar wij meestal weinig oog voor hebben, is de vogeltrek. Grote groepen vogels zijn zich aan het verzamelen en een eindje hier verderop, in de uiterwaarden van de Waal, zitten de ganzen. Af en toe hoor je ze gakkend overvliegen. Niemand die er iets van begrijpt, dan gaan ze weer oostwaarts, dan weer westwaarts, daar lijkt het of ze naar het noorden vertrekken en even later zitten ze weer allemaal terug in de grasakkers en weilanden. Het lijkt nog zo warm voor de trek, maar daar vergissen wij ons waarschijnlijk, het is dra half oktober en de verschijnselen – die wij niet zien – wijzen waarschijnlijk op het feit dat het tijd is.
Ik ben een keer, zo onschuldig als alleen een mens kan zijn, door de uiterwaarden gefietst. Gewoon op fototocht, niets vermoedend. Links en rechts stegen zo’n kleine tienduizend ganzen op onder oorverdovend kabaal, in een eindeloos herhaald angangang. Ik heb er dagen van wakker gelegen. Niet van het lawaai, dat had ook gekund, maar van het feit dat één levend wezen zo een grote groep in beweging kan zetten, en dan voor niets. Ik kwam niets doen, ik had daar niets te zoeken dan hoogstens een fotootje te maken, hetgeen ik dan ook maar gedaan heb. Een nutteloze en zinloze beweging van tienduizend ganzen omdat er een mannetje even langs wou. Misschien had het toch allemaal een nut, onzichtbaar en onaantoonbaar. Misschien is door mijn kleine beweging een grote beweging ontstaan? Het is een troostende gedachte, maar niet meer dan dat.
Ieder jaar opnieuw word ik overvallen door de schoonheid van de maand oktober. Ik weet het, ik hoop er op en toch als het dan zo ver is, sta ik sprakeloos.
Zoals daarstraks, even in de tuin. Liefst alleen, al is het maar heel kort. Van het zomerseizoen willen we zoveel om het echt te voelen, van de lente willen we zoveel omdat alles dan gaat beginnen en van de winter willen we meestal helemaal niets, die overvalt ons. Maar van de herfst daarentegen volstaan de teugjes. Nipjes. Partjes. Het zou waarschijnlijk te veel worden om de herfst met gulzige slokken op te nemen.
Ik sta dromerig te kijken naar de verkleuringen in het gebladerte, de gekrulde vorm van een afgevallen blad op de grond. Roerloos ligt het daar en langzaam aan vergaat de tijd. Al is het slechts een seconde, de duur van een tel, maar een ogenblik. In dat ene moment vergaat de tijd, ik voel het, ik ben er onderdeel van, een deel van mij is al niet meer hetzelfde als daarnet. Ik herken niet meer alles van wat daarnet nog was.
Zoiets kan alleen in de herfst en dan met name in oktober. In deze tijd vlak voor alles zal verdwijnen in de winter en zich oplost in de mist die uit de grond opstijgt als de kou uit het noorden komt.
Ze zeggen dat het nu snel gaat beginnen, en daarom sta ik elke dag even stil in de tuin, alsof het al een herinnering is, die ik steeds opnieuw wil beleven. Nu het nog kan.
We hebben hier net buiten de stad een prachtig bos liggen. Uniek op de kleigronden naar het schijnt, met oude beuken en eiken, statig aangeplant in lanen en paden. Essen, populieren, wilde krieken en esdoorns, hoge struiken en meidoornhagen. Het is eigenlijk een landgoed met een oud kasteel, zelfs lang daarvoor met een burcht. Elk stuk van dat bos is gericht op opbrengst, zoals dat vroeger noodwendig was bij landgoederen en buitenplaatsen. Van elk verschil in bodem of grondwaterstand werd gebruik gemaakt om er iets ‘typisch’ aan te planten en te laten groeien. Opbrengst heette dat. Appelsoorten, peren, pruimen, kreupelhout, noten, hoge stammen, geriefhout, stobben, akkers met luzerne en meer. Wij zien dat nu allemaal tezamen en noemen het bos. Daar gaan wij wandelen, met de hond of de kinderen, alleen of om kastanjes te rapen en komen andere wandelaars tegen. Alles in harmonie en samenhang.
 
Nu is er een stukje van dat bos dat niet meer mee wil doen. Er staan prachtige oude eiken en essen. Heel oud. Brengen waarschijnlijk veel geld op als er planken van gezaagd worden. Neen, zegt dat stuk bos, wij willen apart, wij willen onafhankelijk. Wij horen niet meer bij het bos en bovenal, wij zijn veel meer waard dan de rest van het bos tezamen. Wij zijn een eigen identiteit.
 
De wandelaars in het bos, wij dus, snappen daar niets van. Want wij zien het bos als een geheel. Dat is een biotoop, dat is mooi, dat is geschiedenis, dat is evolutie, dat is rijkdom. Zo moet het blijven. De vogels snappen er ook niets van, want die vliegen van de ene boom naar de andere, van het ene stuk bos naar de andere kant van het bos. De wezels begrijpen het ook niet, de reeën niet, de egels niet, de vossen niet, zelfs de paddenstoelen niet. Alleen dat stukje bos snapt het.
Maar het lastige zal zijn, dat het stukje bos daar altijd zal moeten blijven. Zo lang het een bos is tenminste. Want een bos kun je niet oppakken en ergens anders neerleggen, ook niet een stukje bos. Dan is het niet meer hetzelfde stukje bos, met dezelfde randen en overgangen en buurbossen, om het zo maar even te noemen. Dan verander je de identiteit.
Hoe kom je daar nou uit? Hoe ontsnap je aan dat wat je bent? Dat is bij ons mensen net zo.
Hoe word je tuinman? Zeg je op een dag tegen jezelf dat je tuinman wilt zijn de rest van je leven? Moet je daar een voorbeeld voor hebben, ene Ome Piet die ook tuinman was en die een onuitwisbare indruk op je heeft achtergelaten. Heeft hij misschien met zachte stem vertelt van planten waar je nog nooit over gehoord had en dacht dat niemand anders dan hij, en jij nu ook, er van zou weten?
Dat je om die dingen te mogen weten tuinman moest worden?
Om dan in de herfstige middag bij het vuurtje te staan, achterin de tuin.
Zo’n vuurtje dat kleine doorzichtige vlammetjes geeft en rook die langzaam tegen de mistige lucht in omhoog probeert te kringelen?
Maar wat nou als je een meisje was?
Moest je dan een Tante Roos hebben? Of een oma, zo’n echte, met een tuin met stokrozen en thee om een uur of vier? Die vliegensvlug de ovale rozenbottels van de takken kon plukken en precies wist wanneer de kruisbessen goed waren om te oogsten. Zij had witte margrieten tussen de rode rozen staan en blauwe irissen tussen de pluizige bladeren van de Stachysplanten.
Het zijn mooie momenten in het leven, die er toe leiden dat zo’n beslissing genomen kan worden en iemand tegen zichzelf zegt: ik denk dat ik maar eens tuinman word.
Om het dan te blijven voor een jaar of vijftig.
Het is lastig om in deze beladen dagen zomaar een stukje te schrijven over een mooie herfstplant of de zon die al dan niet scheen of juist niet scheen. Over de eenzaamheid van de boswandeling of het sociale van het plantsoen. Over een volkstuin of een begraafplaats, een schoolplein of de allerlaatste tomaten in de groentetuin.
 
Dat alles valt in het niets bij Marseille of Barcelona of Las Vegas. Om alleen de allerlaatste gebeurtenissen maar te noemen. Waar zouden wij het in hemelsnaam over moeten hebben?
 
Dus een dagje zonder die kleine roerselen vanuit de tuin, maar wel met warme gedachten naar de slachtoffers en veel onbegrip en ongeloof naar de veroorzakers.
 
Er zijn zoveel manieren om je eigen waardigheid te definiëren, zonder dat je moet vernietigen en anderen in een onmogelijke positie moet brengen. Dat is misschien het mooie aan de kunsten en de creativiteit. Die spreken een taal die overstijgt.
Maar, zoals de dichter Lucebert schreef in 1952: 'Alles van waarde is weerloos.'
Op weg naar Haarlem voor een bespreking. Onderweg bij Zwanenburg, net voorbij Schiphol, vloog een vliegtuig zowat vijftig meter boven het dak van de auto. Dan schrik je toch, maar hebt tegelijk een kinderlijk plezier. Ik riep hardop in de auto tegen de kinderen (die er niet bij waren): ‘Zie je dat jongens!’
Ik noemde mijn dochters vroeger ook jongens en de jongens noemde ik ook jongens. Dat heeft iets kameraadschappelijk. Ik dacht ook meteen: daar schrijf ik een stukje over vanavond. Over dat sensatiegevoel dat kriebelig dwars door je heen stroomt, weliswaar in de tegenovergestelde richting van je bloed en daardoor alle poriën openzet zodat het begint te tochten en alles over de top schreeuwt van opwinding.
Ik zou u schrijven over die donkere schaduw die over de voorruit gleed, eerst nog in stilte met slechts de muziek van de autoradio die door de auto klonk, maar dan plots overdonderend als een rollende golf die over je heen dondert, wat zeg ik, zelfs dwars over het moment waarin je rijdt heen braakt en alles verplettert in een onmenselijk gierend geluid, zo hevig dat je bijna niet meer kunt denken.
Gelukkig lag de stad nog verder zodat ik weer tot rust kon komen. Na het gesprek reed ik terug en op dezelfde plaats, aan de andere kant van de weg gebeurde het nog een keer. En weer sloeg datzelfde geluid door de hemel en scheurde er een vliegtuig door de lucht, met de wielen al uit, als een roofvogel die wil grijpen wat daar beneden rond durft te kruipen. En weer dacht ik, daar moet ik een stukje over schrijven en riep tegen de kinderen die er niet bij waren: ‘Zie je dat jongens!’
De hele dag dacht ik na over het stukje, over de woorden en de gedachte, over de benoeming van het gevoel en de bewoording van dat oergeluid. Over de kinderen die al groot zijn en het huis uit.
Te moeilijk besloot ik uiteindelijk, laat ik maar over iets anders schrijven. Maar doordat ik de hele dag zo over dat voorval had nagedacht kwam er geen andere gedachte bij me op.
Jammer, geen stukje dus.

Gisteren, 23 september 2017, werden bij het Tuinenfestival Appeltern de drie Gouden Potloden van dit jaar verkozen door een aanwezig publiek bestaande uit vakgenoten en genodigden.
In de categorie ‘Materiaalgebruik en Beplanting’ won ontwerpster Angelique Nossent met haar tuin ‘Doorkijk’.
In de categorie ‘Meest inspirerende tuin’ en de categorie ‘Beste Tuinontwerp’ won Laura Knoops met ‘Gevangen in Schaamte’.
Op de foto Laura Knoops in het midden, geflankeerd door haar beide ambassadeurs, het kunstenaarsechtpaar Adelheid en Huub Kortekaas, die haar steunden met een vurig pleidooi over haar tuinontwerp.
 
 
Hoe moeilijk is het niet om niet steeds dezelfde paden te bewandelen. Ik merk dat bij het schrijven van dit weblog, waarbij bijna dagelijks een stukje moet geschreven worden. Hoe moeilijk is het niet om daarbij niet te vervallen in het bekende, want dat is nou eenmaal de veilige weg.
De naderende herfst is daar een goed voorbeeld van. Het is makkelijk om weer eens over het vallende blad, de verkleuringen, de vruchten, de kastanjes of de paddestoelen te schrijven. Zoals je in een tuin hetzelfde paadje bewandelt langs de geschoren buxushaagjes en de rozenperken. Je weet dat je er al eens geweest bent en ja, het is half vergeten dus wat doet het er toe. Maar het vuur is er dan uit, de wandeling wordt wat saai, de spanning is weg. Het is mooi weer en leidt af, maar diep vanbinnen voel je dat dit niet de bedoeling was. Beter om te dwalen en niet te weten waar je uitkomt. Beter om een stukje te schrijven zonder vooropgezet plan, om met een eerste woord of een eerste gedachte te beginnen. Ja, dan kom je soms wel eens in een veld brandnetels terecht en zit je onder de blaren of moet je rechtsomkeer maken. Maar dikwijls opent zich een landschap waar je nog nooit geweest bent en het bestaan niet van had vermoed.
Dus hierbij beloof ik u plechtig deze herfst niet over herfstbladeren te roeren, de lage zonnestralen niet te beschrijven en de muziek van Schubert niet te vernoemen.