Bij het woord verlangen dient men in gedachte te houden dat het element Tijd van groot belang is. Wat men ook over verlangen denkt of hoe men erover nadenkt, de tijd zal altijd een rol spelen. Verlangen naar dat wat voorbij is en dus naar vroeger, verlangen naar dat wat nog niet is en dus in de toekomst ligt. Men verlangt niet naar dat wat nu is of men nu heeft.
Verlangen dat niet bevredigd wordt zal groeien. Hoe langer het verlangen in de tijd bestaat, des te meer het in de beleving naar voor zal komen en des te groter het zal worden. Verlangen groeit alleen maar, neemt nooit af, tenzij het bevredigd is.
Er zijn sluimerende verlangens en heftige verlangens. Er zijn verlangens waar men zich niet van bewust is en verlangens die zo hevig worden dat ze zich omzetten in lust. Maar met lust is niet zo veel aan te vangen, lust is begeerte en dat mogen we niet verwarren met verlangen.
Lust is voor nu, lust zet al het andere opzij. Lust is er voor taart of snoep of seks. Voor een verlangen zet men de dagelijkse zaken niet opzij; die zal men eerst afhandelen om daarna toe te geven aan het verlangen.
Eerst eten en dan spelen. Eerst huiswerk maken en dan naar het park.
Verlangen is controle. Controle is ook onderhevig aan tijd.
Ik ga de hangmat ophangen, want ik verlang ernaar om lang in de tuin te blijven.
In de zomerse stilte van de avond de roos gesnoeid. Het is slechts een kleine struik maar de bezigheid heeft iets groots, iets dat de tijd overstijgt, alsof men zich in een andere eeuw waant.
Er zijn niet veel bezigheden die zulk een directe invloed hebben op het gemoed. De rust hangt in de tuin en iedere knip verrijkt de werking van de tijd. Net zoals toen Sam buiten in de tuin stond te knippen en hij door het open raam hoorde hoe Gandalf aan Meester Frodo het verhaal van de Ring vertelde.
Is het telkens opnieuw een unieke ervaring die men op zulke momenten meemaakt of speelt de herinnering van een vorige keer een hoofdrol en probeert men die opnieuw te beleven? Is de lucht zwanger van een voorbije tijd die zich nog een keer voordoet als een nieuweling, terwijl hij alleen maar vermomd als vreemdeling aanklopt in de hoop dat we hem snel zullen herkennen?
Zoete mijmering waar deze eerste zomeravonden zich zo goed voor lenen. In de verre verte hoor ik het geroezemoes van de drukte van de snelweg. Misschien mensen die al op vakantie vertrekken, op zoek naar ook zulk een herinnering; niet vanuit de tuin gegeven maar vanuit een vorige vakantie in de hoop dat ze die nog eens zullen meemaken, zichzelf opnieuw kunnen beleven zoals ze toen waren?
In Makeblijde te Houten, zijn nog een aantal bijzondere tuinen te vinden, van toen het nog als tuinarchitectuurcentrum bestond. Ik word er in het voorbijgaan telkens aangetrokken door de tuin van Frans van der Steen. Hij heeft onder enkele bestaande knotbomen een plankier aangebracht en daar een terras van flagstones voor gelegd. Aan een kant ligt een klein bloemenvak, welke enkele weken in het jaar bloeit. Een fascinerende schoonheid van eenvoudig. Hetgeen de Fransen een ‘ Jardin trouvé ’ noemen. Een gevonden tuin. Een tuin die er al lang is voor je hem hebt ontdekt en tastbaar maakt door iets concreets toe te voegen aan de bestaande wereld. Je hoeft de tuin slechts wakker te maken, lijkt het wel. Het heeft iets magisch.
Zo zag ik heb een foto van een plek in een bos, afgemaakt door enkele planken en daartussen een tafel en stoelen. Ik was sprakeloos van zoveel elegantie. Wondermooi. Alsof je door de wildernis loopt en plots op een plek komt die ‘goed’ of ‘juist’ voelt en besluit om daar te blijven. Wat misschien de cowboys in hun trek naar de Far West hebben meegemaakt: this is my home, dit ben ik.
Heel af en toe kun je zo een gevoel nog wel eens meemaken, als je bijvoorbeeld tijdens een vakantie wandelt in een gebied dat je nog niet kent. Je stopt even om uit te rusten en iets te drinken. Maar eigenlijk zou je willen blijven, voor altijd, omdat die plek iets aan vertelt, je iets laat voelen dat heel vertrouwd is. Ik heb een paar foto’s van zulke plekken die ik ben tegengekomen en het is eigenlijk heel mooi om te denken dat ik in de wereld enkele tuinen hebt, die eigenlijk van mij zijn.
Hij werd deze week verschillende keren genoemd en geciteerd, deze grote intellectueel, denker en schrijver. Die meer over tuinkunst wist dan wij vermoeden. Hier een citaat dat de intentie van het O’FEST goed weergeeft:
 
‘Wensen zijn voorgevoelens van hetgeen u in staat bent daadwerkelijk te realiseren’.
 
Johann Wolfgang Goethe (1749-1832)
Veel tijd om te schrijven is ons niet gegund deze week, het O'FEST slokt alle aandacht op.
Maar wat een verrijking van de geest. Wat een genot om al die kennis en al dat inzicht voorbij te horen komen. Straks alweer de laatste avond in de rij en die belooft ook weer heel bijzonder te worden.
Daarin zal de stelling worden besproken: 'De tuinkunst dient zich meer te spiegelen aan de ontwikkeling in de kunsten, dan aan het eigen historisch perspectief.'
Er zullen een zestal sprekers op reageren, waarna een paneldiscussie losbarst. Onderling tussen de sprekers, maar ook met het publiek. De twee dagvoorzitsters zullen er hun handen vol aan hebben.
Zie ik jullie daar vanavond? In Apeldoorn, juist. In het ACEC ja, maar dat wist je al.
Het ACEC gebouw waar |het ontwerp instituut| vertoeft, werd gisteren gevuld met een levendige en optimistische sfeer. Tegelijk vond De Ontwerptafel plaats met een twaalftal deelnemers, en het atelier van Jacqueline van der Kloet, waar een tiental geselecteerde ontwerpers aan deelnemen. Heerlijk om te zien hoe intensief het er aan toeging en tussendoor iedereen in een creatieve sfeer met elkaar omging. Zomaar eventjes vijfentwintig tuinontwerpers tezamen aan het werk. Dat is waar we het allemaal voor doen, dat zijn de mooie momenten.
Vandaag het symposium De Laatste Tuin. We wensen Laura Knoops en Leonie Brinks alle succes met hun dagvoorzitterschap.
Uit mijn inleiding bij de opening van het O'FEST:
 
'... blijft de tuin en de wereld van de tuin een onbekende. Men gaat deze, om hem toch vorm te geven en te verconcretiseren, ‘na maken’ van de beelden die men kent. Men gaat kopiëren en niet op zoek naar zijn ware betekenis.
Daardoor ontstaat een merkwaardige vorm van tuinkunst, die meestal een imitatie is van een imitatie. Een imitatie in het kwadraat, losstaand van de originele reden van bestaan. Hoogstens is er een verwijzing naar een natuurvorm.
In vroegere tuinen uit de Renaissance of de Barok, zelfs in de landschapstuinen, zag men de natuur nog als getemd of georganiseerd, de mens als heerser en bepaler over het wilde en losbandige van de natuur en dus van het leven.
Als een uiting van de menselijke zoektocht zichzelf te positioneren in de wereld.
Nu zijn die gesnoeide vormen of gecultiveerde onderdelen in de tuin slechts een pastiche, een navolging van de huidige standaard, ten dienste van een burgerlijke moraal van angstloze platheid.
Jacques Brel zou ervan huiveren en het kapot zingen. Hij zou Don Quichote eropuit sturen om die inhoudsloze tuinmolens te bestrijden....'
Alhoewel de wereld al zo lang bestaat en er al miljarden en miljarden bladeren zijn gekomen aan de bomen, zijn er nog nooit twee bladeren hetzelfde geweest.
Alhoewel er al zoveel weken en dagen en uren zijn voorbijgegaan sinds de wereld bestaat zijn er nog nooit twee uren, twee minuten of twee seconden hetzelfde geweest.
Alhoewel er nu 7.510.835.918 mensen aan het leven zijn en de wereld er al zoveel miljarden en miljarden heeft gekend, sinds de menssoort is ontstaan, zijn er nog nooit twee mensen hetzelfde geweest.
Ik denk dat ik de rest van mijn leven nodig heb om dat goed te begrijpen.
Nou staat er op de website van het O’FEST een stelling, waarop je JA of NEEN kunt antwoorden. Over tuinkunst. Dat die zich meer moet spiegelen aan de ontwikkeling in de kunsten. In plaats van aan de eigen geschiedenis.
Daar ben ik het in principe wel mee eens. Jullie? Ik heb al gestemd. We leven trouwens toch al in de tijd en de wereld van het stemmen en de gevolgen van het stemmen. In Amerika zitten ze met de miserie van hun stemmen en nu in het VK ook al. In Frankrijk hebben ze goed gestemd, denk ik toch, hoopvol en positief. En die gaan zondag alweer stemmen. Krijgen er geen genoeg van. En de Duitsers binnenkort. En dan nu wij. Maar bij ons is het makkelijker, voor kunst of voor geschiedenis. Ik weet het. Er is veel kunst en er zijn verschillende soorten kunst. Zit je altijd goed. Van de geschiedenis is er maar één. Diegene die wij denken te begrijpen. Dat is dus minder spannend. O’FEST dus.
Midden op het zebrapad zat een ekster. Het was een heel gewoon zebrapad en een heel gewone ekster. Een Pica Pica, zwart en wit gekleurd met een metaalachtige gloed en blauw en groen op de vleugels. Als je goed keek zag je ook wat bronsgroen op de staart en op het uiteinde roodpaars, of verbeeldde ik me dat maar?
Hij hield de kop schuin om me aan te kijken en wachtte brutaal af of ik de durf had over te steken. Wat zou ik doen? Blijven staan en kijken of langzaam naar hem toelopen? Dat wist de ekster niet.
Het zebrapad bestond uit regelmatige vlakken dikke straatverf van een vaalwitte kleur, die omkaderd werden door het zwart van het asfalt. Soms zag je ze ook wel eens in het geel die strepen, maar dat was meestal in het buitenland. Deze was wit. Vaalwit met zwarte remstrepen van het rubber van autobanden er dwars overheen. Het rook hier eigenaardig, of niet? Aan de overkant van de straat stopte het zebrapad abrupt. Het was onduidelijk waarom hier nou een zebrapad was aangelegd. Er was niets te zien aan die kant van de weg, geen winkel, geen school, geen hospitaal. Een troosteloos voetpad naar een haag van een tuin. Meer niet.
De ekster bewoog met een huppig sprongetje zoals alleen eksters dat kunnen. Elegant en boven de materie verheven. Hij krijste schrapend. Durf maar eens, leek hij uit te dagen. Ik wilde een geruststellende beweging maken met de hand, dat het goed was, dat ik niets van plan was, maar zag daar toch vanaf. Hij zou me immers niet begrijpen.
Het was een heel gewone ekster op een heel gewoon zebrapad.
Elke tuinontwerper, of aanverwante geest, maakt elke dag wel iets mee waar hij of zij even over nadenkt. Een overpeinzing die men zich vormt, een beschouwing, een reflectie. Waarom zou toch…? Heb ik nou echt gezien dat…? Wat gebeurt er als men niet…? …? …?
Die kleine momenten zijn het, die de geest vormen en ons creatief en eigen-aardig laten kijken naar de wereld. En aangezien er dagelijks meer en meer lezers schijnen te zijn van dit weblog, is het goed om ook jouw gedachten en reflecties eens te verwoorden en hier neer te zetten. Ter inspiratie van de anderen, die je niet kent, maar op die manier jou een beetje leren kennen. Stuur ons een stukje en we plaatsen het hier, net zoals die van je collega’s.
Wel, soms gebeurt er iets. Zo ook gisteravond. Toen werd ineens duidelijk waarom de architect Victor Horta het gebouw van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel en meer bepaald de Henri Le Boeufzaal in 1928 heeft ontworpen. Waarom Dmitry Shostakovich in 1959 zijn 'Concerto n. 1 in Es op. 107' schreef. Waarom al die leden van het Nationaal Orkest van België en alle leden van de jury geboren zijn. Waarom de Koningin Elisabethwedstrijd al zoveel jaren heeft bestaan, alsof het alleen maar in afwachting was van iets. Waarom de 2.052 mensen uit het publiek die aanwezig waren die ochtend nietsvermoedend zijn opgestaan.
Dat alles kwam gisteravond tezamen in één beweging, één punt, één betekenis, toen de Franse finalelaureaat Victor Julien-Laferrière het toneel besteeg en zich met zijn cello op een stoel voor het orkest zette. The rest is history.
Ik, die alleen maar geniet, maar niets ken of kan, was verheugd en verbijsterd. De commentatoren die waren uitgenodigd spraken van een Hors Concours, iets wat buiten de normen had plaatsgevonden, de presentatoren stamelden. Ik zag nog hoe de cello natrilde en wist dat ze na vanavond net zo goed tot brandhout kon worden vernietigd, want nooit of te nimmer zou zij nog door iemand zo worden bespeeld. Daarom dus.
Gelukkig heeft iemand de CD uitgevonden.
Gisteren waren we met een fijne groep mensen op excursie in Leiden, in de Hortus, met Norbert, in het Sieboldhuis, met een Japanse sfeer, in de boot van Ruud op de Leidse grachten. Een groot gevoel van melancholie maakte zich van me meester. Misschien ook gevoed door de vrijheid van een excursiedag, maar vooral door de gedachte aan al die botanici en wetenschappers, die vroeger op jacht waren in de wijde wereld naar planten, specimen van levende groeisels uit een ver land. Al die mensen zijn er niet meer, maar hun namen nog wel en ook de planten die ze verzamelden. Om te laten zien, om te verduidelijken, om te begrijpen.
Die droefgeestige gedachte werd nog versterkt door de titel van een expositie in het Sieboldhuis van de fotograaf Casper Faasen: ‘De dingen die voorbij gaan’, met beelden geïnspireerd op de tijdelijkheid van het aardse en op de Japanse cultuur. Dan moest ik meteen denken aan een andere grote Nederlandse reiziger: Louis Couperus, wiens roman ‘Langs lijnen van geleidelijkheid’ uit 1900 ik tot een hoopje vergaan papier stuk gelezen heb:
 
… Uren kon hij zoo zitten, of dwalen, of weêr neêrzitten en gelukkig zijn. In de intensiteit van zijn verbeelding riep hij de historie op, wolkte ze uit het verleden hoog, eerst als een damp, een tooverwaas, waaruit weldra de figuren duidelijk traden, tegen den marmeren achtergrond van oud Rome aan. De reusachtige drama’s speelden voor zijne droomende ogen af als op een ideaal tooneel, dat zich van het Forum uitstrekt naar de wazige zonneblauwtes van de Campagna; met coulissen, die zich verloren in de diepte van de lucht …
 
Logisch dat tijdens de boottocht het gesprek overliep van gedachten over kunst en leven.
Meestal is de vraag aan een tuinontwerper of hovenier hoeveel planten zij of hij bij naam kent en dan liefst met ‘de Latijnse naam’. Maar is dat niet zoiets als aan een kunstenaar vragen hoeveel merken olieverf er zijn? In de tuinenwereld wordt weinig aandacht geschonken aan de ontwerper. Op een uitzondering na. Terwijl die de kern van het vak vormen en de ontwerpen creëren.
 
De ‘Hommage Marathon’ wil dit veranderen. Saskia Bottenberg praat alles aan elkaar en deelt haar eigen verwondering met het publiek. Jij mag en kunt hier niet in ontbreken. Want wie gaat het hebben over Lucas Roodbaard, of Leonard Springer? Wie over Copijn of West 8? Zal Henk Gerritsen bij de favorieten staan of Tadao Ando? Pieter Buys of Edwin Santhagens? Bernard Tschumi of Johan Vlug?
Reageer naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Wil je liever in de zaal zitten en deze douche van enthousiasme ondergaan, bestel dan een zitplek. Die kosten 20 euro, inclusief de koffie (buffet is extra).
Als plant hoort de Palmlelie (Yucca) bij de leliefamilie, als bloem bij het klokkenspel. Wie praat er nog over de lente? Het is al lang zomer dit jaar.
De zwaardvormige bladeren hebben vastberaden in hun groene kleur de winter doorgebracht. Nu de zon zoveel warmte geeft, lijkt het of deze planten zich op een manier gedragen die bij naam past. Hun echte naam, een fiere en trotse naam. Yucca.
In de wintermaanden leken ze meer de nietszeggende naam youcou te hebben, zo konden ze zich wegcijferen uit het tuinbeeld. Maar nu … nog voor hun wonderbaarlijke roomwitte bloemtrossen zich verticaal zullen ontwikkelen alsof ze als koninginnen in een gekostumeerd bal mogen optreden, flikkert en fonkelt de plant met zijn bladeren als waren ze scherpe degens die in het zonnelicht blinken. Zonder dat ze echt prikken of steken, want het blijft enkel theater.
Let eens op binnenkort, als de bloemen zich openen, zoals een twaalftrapsraket: patafpiefwiewwiektoeloeriekomstraawuuurandiel. Als muziek, pure muziek. Als een Carl Orf orgie van witte klokken die de schoonheid van het leven beklinken.
Heb ik in de tuin staan.
Afgelopen zomer, ergens in het zuiden van Europa, in een heel mooi en chic hotel. Sluit de ogen even: palmen, zwembad, blauwe lucht, vers gesneden fruit op zilveren schalen. Vraag me niet hoe ik daar terecht kwam, dat is een heel ander verhaal.
Dat hotel had een tuin. Een mooie, prachtige tuin. Rustig. Die tuin had een tuinman. Een tuinman met de eigenschappen van een echte tuinman. En dat zijn er vele.
Hij draagt bijvoorbeeld een snoeischaar aan de riem en, nog veel belangrijker, hij heeft tijd. Tuinmannen hebben tijd. Nog voor de zon opkwam, was de tuinman al aanwezig en deed de dingen die een tuinman doet. Niemand die hem zegt wat, hij weet dat. Een van de dingen die hij doet, is het verzorgen van de planten die in grote porseleinen vazen staan naast het zwembad. Tientallen vazen, met daarin Asparagus oftewel sierasperge, Planten met sierlijke lange stengels die naar beneden zwieren, met ontelbaar verfijnde blaadjes die op naalden lijken. Wij kennen ze hier als huiskamerplanten, vroeger althans. Die naaldjes worden bruin en sterven af en dat ontsiert de plant. De tuinman kwam daarom in de vroege ochtend, om deze planten te strelen. Hij nam de lange stengels in de arm, alsof hij een kostbaar gewaad moest dragen, en met de andere hand streelde hij zorgvuldig en langzaam over de twijgen, waardoor de dode naaldjes afvielen. Dat herhaalde hij keer op keer. Na zijn behandeling leken de planten als herboren. Stuk voor stuk, een voor een, behandelde hij de planten in de vazen op die manier. Langs voor, langs achter. Ja, ook daar waar niemand het effect kon zien.
Uren heb ik naar de tuinman zitten kijken, naar zijn trage bewegingen, naar zijn volkomen belangeloze manier van verzorging. Naar zijn onbaatzuchtigheid die zo verheven was als alleen bij engelen kan zijn. Misschien was hij er wel een?