Gisteren was het in Nederland dodenherdenking.
Waarom is het toch zo, dat de dood zulke mooie ruimtes oplevert? Alle begraafplaatsen of gedenkplekken zijn prachtig vormgegeven, net alsof wij pas bij het denken aan de dood een zin voor schoonheid krijgen. Zo gauw de sereniteit aan bod is komt onze esthetiek om de hoek kijken en eist haar aandacht op. Prachtig, daar niet van, maar waarom alleen daar? Ooit een mooi benzinestation gezien? Ik niet. Of een mooi voetbalstadion? Bijna niet. Of schoolplein, of industrieterrein?
Op rondreis door Vlaanderen kwam ik op de begraafplaats Langemark terecht, waar 44.000 Duitse soldaten liggen begraven gesneuveld, in de Eerste Wereldoorlog. De meeste niet geïdentificeerd. Grote eikenbomen die schaduw werpen, een grasveld, grijze stenen blokken met duizenden namen, een rij knotwilgen als erewacht. Het poortgebouw dat aan een bunker van rode steen doet denken is binnenin bekleed met houten panelen met daarop duizenden namen. Hans, Heinrich, Erich, Wolf, Ludwig, Rudolf en de anderen. Er schijnen bijna 3.000 studenten onder hen te zijn, gestorven voor Duitsland, in het slijk van Vlaanderen. In plaats van in hun houten lessenaars op de universiteit te zijn blijven zitten, om te studeren.
Men wordt daar heel stil en klein van, bij het denken aan die vergeten doden, die nutteloze dood en die nutteloze oorlog. Hoe anders zou Europa er nu hebben uitgezien als dat allemaal niet had plaatsgevonden.
Met de herdenking gisteren moest ik weer even aan ze denken, en aan die mooie begraafplaats van ontwerper Robert Tischler. Gelukkig was het slechts twee minuten stilte, anders zou ik te emotioneel geworden zijn.
Ontwerpers aller lande,
leest dit prettig nieuws.
Ik ga u nu verkonden
Wat u moet gaan doen
Op dinsdagmorgen half tien
Dertien juni tweeduizendzeventien
 
Terlierelom terla!
Van linksom rechtsom tekent mijn pen
Door het roeren van mijn hand
Ju ju ju ju ju ju ju ju!
 
Je komt dan met de tekenrol
En een potlood twee of drie
Naar Apeldoorn in ’t mooi gebouw
Om te spreken met gene of die
Durft uzelf niet versterken
Met ene kan goed bier
 
Terlierelom terla!
Van linksom rechtsom tekent mijn pen
Door het roeren van mijn hand
Ju ju ju ju ju ju ju ju!
 
Want met elkaar aan tafel
Lossen de problemen zich op
Wij slijpen daar ons potlood
En tonen vrijelijk ons probleem
Want eerlijk, zonder is er geen
Dus snel de schets opgehangen
 
Terlierelom terla!
Van linksom rechtsom tekent mijn pen
Door het roeren van mijn hand
Ju ju ju ju ju ju ju ju!
 
Wij zoeken nog ontwerpers
Die durven zich te tonen
Want met liefde en mededogen
Spreken we met elkaar
En gaan daarna naar huis
Als een nieuwe Mien Ruys
 
Terlierelom terla!
Van linksom rechtsom tekent mijn pen
Door het roeren van mijn hand
Ju ju ju ju ju ju ju ju!
 
De Ontwerptafel, dinsdagochtend 13 juni 2017 09u30, zes ontwerpers gezocht, voor intervisie en sparringsessie.
Gisteren zijn in het ACEC gebouw in Apeldoorn, waar de meeste cursusdagen en bijeenkomsten van |het ontwerp instituut| plaats vinden, een aantal kunstenaars aan de slag gegaan met hun ‘Wall Paintings’. Dat wil zeggen dat ze ieder een stuk van 10 meter van de muren tot hun beschikking krijgen. Daar waar normaal de kunstgalerij is en er aan de muren schilderijen hangen, zullen nu grote werken op de muren geschilderd worden, die alleen tijdens de expositie te zien zullen zijn. Na afloop wordt alles weer gewit en verdwijnt de kunst. Op zich al spannend.
Het thema van deze tentoonstelling is ‘100 jaar De Stijl’, hetgeen in heel Nederland (en ver daarbuiten) gevierd wordt. Je kent ze wel: Theo van Doesburg, Piet Mondriaan, Bart van der Leck, J.J.P. Oud, Gerrit Rietveld, om er een paar bekende te noemen. Het worden dus abstracte muurschilderingen, daar in Apeldoorn, geen tafereeltjes of trompe-l’oeil.
Tijdens de periode van het O’FEST zullen de nu gemaakte werken nog te zien zijn. Daarom gaan we tijdens het festival, op dinsdagnamiddag 13 juni, een workshop organiseren met enkele van de kunstenaars die in gesprek gaan met een aantal (tuin)ontwerpers. Ze leggen hun werk uit, hun bedoeling, het doel van hun kunst. Die bestaat in twee dimensies, op de muur geschilderd. Aan de tuinontwerpers wordt gevraagd een schetsontwerp te maken van de ruimte die voor die muur ligt en daar dus mee verbonden is. Hoe zou die eruit zien, hoe reageer je op het gegeven werk? Hoe ziet de driedimensionale verlenging van het kunstwerk er uit? De (tuin)ontwerpers werken dat de volgende dagen uit, al dan niet in contact met de kunstenaar. Op zaterdagmiddag, tijdens de afsluiting van het O’FEST worden dan de resultaten getoond, tegelijk met de uitslagen van de andere werkgroepen en ateliers van de festivalweek. Dat wordt iets heel bijzonders.
Heb je interesse in deze cross-over? Stuur een e-mail naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. en je ontvangt de details.

Als plant hoort het Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis) bij de lelieachtigen, als bloem bij de maand mei. Vandaar de naam ‘meiklokje’. De lente maakt haar naam waardig, ze overheerst in zachtheid en alle dingen lijken licht uit te stralen.
Vandaag, op 1 mei, geven we aan wie we lief hebben een bosje met lelietjes-van-dalen. Een traditie die in België en Frankrijk nog sterk in ere wordt gehouden. Daar heet de bloem Le Muguet. Christian Dior was er gek op.
Er is iets heel bijzonders met dit giftige plantje dat wij desondanks toch aanbieden aan onze geliefden, vooral aan moeders. Het meiklokje zou volgens de Germanen gewijd zijn aan Ostara, de godin van de aanstaande lente en het opkomende licht. Ostara, de zus van de god Donar/Thor (de god van de donder), kondigde in die tijd de lente aan. Om haar te eren brandden de Germanen vreugdevuren. Haar vereerders gooiden meiklokjes in het vuur omdat ze geloofden in haar goddelijke waardigheid. Bij de opkomst van het christendom ruimde Ostara de plaats voor Maria. Vandaag vindt men in alle Mariakapelletjes lang de weg een bosje Lelietjes-van-dalen. In 1526 maakte de Duitse schilder en graveur Albrecht Dürer (1471-1528) een kopergravure van Erasmus van Rotterdam. Het Latijnse opschrift erbij luidt: Afbeelding door Albrecht Dürer naar een levende beeltenis getekend. Het Griekse opschrift op de gravure betekent zoiets als: Beter tonen hem zijn werken. Erasmus was niet erg ingenomen met de gravure. Hij schreef in het Latijn: Dürer heeft mij afgebeeld maar het lijkt helemaal niet. Erasmus schijnt een ijdele man geweest te zijn. Wie echter goed kijkt ziet op de gravure een kruikje met Lelietjes-van-dalen. Hiermee wenste Dürer Erasmus een betere gezondheid toe én meer bescheidenheid.
 
 
 
Het stukje van Adrienne Albrecht van 17 april jongstleden over Cité des Fleurs, bleef maar door mijn hoofd spoken. Elke dag dacht ik een paar keer aan die straat met die bijzondere tuinen, die zij ontdekte. Waar deden ze mij toch aan denken? Het liet me niet los. En dan, plots, zoals dat gaat in romans en in mooie poëtische films, terwijl ik iets heel anders aan het doen was, schoot het me te binnen. Hoe dat werkt, is een mysterie, want ik reed de auto voorzichtig de tunnel van de carwash binnen en voelde hoe het immense systeem langzaam maar onomkeerbaar zich in gang zette en de auto vooruit begon te trekken, terwijl de ronddraaiende reuzenborstels steeds dichterbij het raam kwamen. Men weet dan wel hoe het verder gaat en alles in orde is, maar die ene seconde blijft toch steeds beangstigend.
En toen dacht ik ‘Barcelona, de ondergrondse parking’. Hetgeen nergens iets mee te maken had, maar mijn herinnering in gang zette als een ezelsbruggetje dat een eigen leven ging leiden. En toen: Parijs, Impasse Deligny. Een onooglijk steegje.
Dat was het. Op nog geen honderd meter van het straatje waar Adrienne over schreef, was ik geweest om foto’s te maken. Van een doodlopend straatje dat in bezit is genomen door de bewoners, die geen voortuinen hebben en daarom de straat als gezamenlijke tuin hebben geconfisqueerd. Een ongelofelijke beleving om daar te lopen en zeker te wonen. Wat is Parijs toch ook provinciaals, want dat zijn al twee plekken. Als we er een derde vinden, organiseren we een excursie.
 
 
Ter gelegenheid van het Jaar van de Botanische Tuinen in 2017 geeft PostNL een postzegelvel uit. Tien bijzondere planten en bomen staan op de zegels afgebeeld. Deze ‘kroonjuwelen’ zijn afkomstig uit botanische tuinen in Nederland.
Tijdens het laatste Kantinegesprek hadden we Janko Duinker te gast, van het NVTB. Hij vertelde dat Nederland ruim dertig botanische tuinen kent. Vierentwintig daarvan zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Botanische Tuinen (NVBT). In deze vierentwintig tuinen staan 47.000 planten en bomen uit de hele wereld. De vereniging heeft 2017 in het teken gesteld om de meest bijzondere, vreemde en met uitsterven bedreigde soorten planten en bomen in de spotlights te zetten
Uit een selectie van circa honderd mogelijke planten en bomen koos ontwerper Robbert Zweegman tien ‘kroonjuwelen’ uit voor het nieuwe postzegelvel. Hij liet natuurfotograaf Edwin Giesbers deze allemaal vrijstaand fotograferen. Hiermee werd het individuele karakter van de plant of boom zichtbaar, als symbool voor de botanische tuin. Er is geen afleiding van de omgeving, geen context en geen andere planten in de buurt. Op de postzegels staan onder anderen de wolfskers (Hortus Botanicus Amsterdam), de zwarte nieswortel (Nederlands Openluchtmuseum Arnhem), de gele trompetbekerplant (Botanische Tuin Kerkrade), de rode zonnehoed (Hortus Alkmaar) en de vlamtrompet (Botanische Tuinen Utrecht). Zweegman koos ervoor om ook de Latijnse naam van iedere plant of boom in het ontwerp te benoemen. Hiermee refereert hij aan de Zweedse plantkundige Carl Linnaeus, die in de 18e eeuw planten en bomen in logische categorieën indeelde en daar een tweedelige Latijnse naam aan gaf.
 
Het postzegelvel ‘Botanische Tuinen in Nederland’ telt tien postzegels met de waardeaanduiding Nederland 1, bedoeld voor post tot 20 gram met een bestemming binnen Nederland. Stoppen met de e-mail dus en terug naar de brievenpost. Mooie brieven schijven en drie dagen wachten op het antwoord. Oh, wat een tijd voor heerlijke bezinning van de gedachten.
Nummers wijzen de weg maar ik ‘verdwaal’ liever. Volg mijn eigen kompas. Verdwalen is een groot woord, immers, de meeste paden zijn vertrouwd op ‘eigen’ bodem. Ik struin over het Koaipôd richting de Groede. Gevallen bladeren liggen op de grond. Een herinnering aan een seizoen dat is geweest. Knoppen aan de bomen luiden de lente in én nieuw leven. Jaarlijks zagen de boswachters dode takken af boven de wandelroutes. Voor de veiligheid van wandelaars. Ooit bij stilgestaan als je door het bos wandelt? De mensenhand is overal en ook de begrazingsdieren verzetten een hoop werk. Om diversiteit te behouden. Zoveel typen landschappen op dit eiland, er zit altijd wel één tussen die past bij je gemoedstoestand. Ik zie sporen van voorgangers in het zand; schoen- en pootafdrukken. Verderop staat een oranje bordje van Staatsbosbeheer. Vrij wandelen staat er in grote letters op. Met daaronder wat wel en niet mag.
De bordjes zijn welbekend, toch lees ik de woorden, vrij wandelen, alsof ik het voor het eerst gade sla en laat het op mij inwerken. Ze blijven hangen. Er zit een bepaalde vanzelfsprekendheid in, je weet niet beter, als eilander of vaste gast, maar het is een groot goed. Een recht dat we hebben op Terschelling. Dwars door de duinen wandelen zonder tegen gehouden te worden door draad of verbod. Soms spannend om tussen de paarden en koeien te lopen. Zelf beslissen waar je je voeten neerzet in de natuur. Van het gebaande pad af, een rijkdom. Vrij wandelen.
Elke keer volgt een ontmoeting met het landschap als we buiten zijn. Als een wederzien van een oude bekende, of een nieuwe blik die verbreedt. Dat hangt af van hoe vaak je loopt, op welk tijdstip van de dag, de duur en in welk tempo. Vertragen creëert een bewustzijn zodat je echt waarneemt. Je verliest jezelf, voelt alleen je lijf. Hoe langer je loopt hoe stiller gedachtes worden en het hoofd zich vult met aanwezigheid; een kiekendief die overvliegt, vogels die kwetteren, het golvende patroon van de duinen, water wat hoog staat in de sloot. Wandelen inspireert. Net als dat het voor veel grote schrijvers en filosofen deed. Friedrich Nietzsche liep de hele dag en schreef al wandelend zijn boeken. Henry David Thoreau wandelde ook zo’n vier uur per dag. ‘Het is zinloos te gaan zitten schrijven, als je nooit bent opgestaan om te leven.’
Ik doe mijn laarzen aan en trek de deur achter mij dicht.
 
Marloes Fopma
 
Gisteren, woensdag 26 april, is de architect Ieoh Ming Pei honderd jaar oud geworden. Hij is geboren in Kanton, China, in 1917. Kunt u zich dat voorstellen, een van de meest toonaangevende architecten van de 20e eeuw, geboren toen hier in Europa de eerste Wereldoorlog nog volop woedde. Zijn mama knuffelde hem, toen in de Vlaamse loopgraven soldaten stierven door het mosterdgas.
Vandaag, als wij naar Parijs gaan en als brave toeristen voor het Louvre staan te overleggen of we naar binnen zullen gaan, staan we bij een meesterwerk van die 100-jarige Pei.
En de kinderen dan, wat vinden die van een saai museum?, protesteert papa nog even, want die gaat liever plantjes fotograferen in het Jardin du Luxembourg.
Maar de kinderen staan al te wachten bij de ingang, een glazen piramide die de cultuur van de mens door de eeuwen heen symboliseert. Die frisse verschijningsvorm trekt de jeugd aan. Al is het een oude architectuurvorm, nu in glas, midden in Parijs. Met 9,5 miljoen bezoekers per jaar. En die gaan allemaal door het bouwwerk van architect Pei, dat jongetje uit China, naar binnen. Modereportages, huwelijksfoto’s, scènes van speelfilms, selfies, alles maak je er mee.
Je moet het maar bedenken. Een piramide, in glas. Simpeler dan dat kan niet, maar hij had het idee. En dan 100 jaar worden ook nog.
 
Donderdagmiddag 30 maart zat ik heerlijk in het zonnetje bij mijn schoonzusje in het uiterste zuiden van het land, toen ik zag dat ik gebeld was door de voorzitter van Springzaad*. Op de voicemail beluisterde ik tot mijn grote verbazing de vraag of ik in het NOS-journaal wilde verschijnen in een item over groene schoolpleinen. Ik had niet eens tijd om te reageren; een paar seconden later de NOS aan de lijn. De redactie wilde een plein dat al jarenlang groen is en een plein in aanbouw filmen. Springzaad had gezegd dat dat onder andere te vinden was in Amersfoort. En op dat ene plein in aanbouw was ik bezig…
“WoW!”, dacht ik, ”aandacht voor groene schoolpleinen in het journaal!” Dat had ik niet verwacht. Het is een duidelijk zichtbare trend aan het worden; inmiddels hebben we meer dan 400 groene schoolpleinen in Nederland. Maar het is niet direct een actuele gebeurtenis …
Vele telefoontjes verder was het geregeld. Vrijdagmorgen om 9 uur zouden we elkaar ontmoeten op het plein van De Kosmos in Amersfoort.
Ik was gelukkig ruim op tijd. Om kwart voor 9 schudde ik de hand van de cameraman en de verslaggeefster, Pauline Broekema. Vanaf het begin waren ze enthousiast. Ze hadden nog nooit bij dit onderwerp stilgestaan, maar vonden het o, zo belangrijk. Pauline vroeg me het hemd van het lijf. Ik legde uit, liet haar alles zien. Ondertussen zag de cameraman overal mooie plaatjes en bleef maar door filmen. Ook kinderen en een juf werden geïnterviewd. In totaal heb ik 3 uur met ze doorgebracht. En toen zijn ze nog naar het andere plein gegaan. Twee banden film is teruggebracht tot 1.32 minuut, wat lang schijnt te zijn voor een journaal-item. En ik ben trots! Het is een mooi inspirerend stuk geworden, met een waardevol achtergrondartikel. Het journaal heeft bijna 2 miljoen kijkers. Ik zag dat het artikel op Facebook bijna 280.000 keer bekeken was, 750 keer gedeeld, 3500 likes en 380 reacties had. En vrijwel alles positief! Het leeft! Zou het dan toch nog mainstream worden?
 
Marjan Deurloo, Juffie in ’t groen
 
*Springzaad is het landelijk netwerk voor speelnatuur
Op 22 maart ben ik gestart met het bouwen van mijn ontwerp ‘In the hole’ op Appeltern. Nu een maand verder en met veel hulp lijkt het echt bijna af. Kan het bijna niet geloven. En dat allemaal dankzij vrienden en ook mensen die ik amper ken en gewoon meedoen. Iedereen heeft er zin in, staat vroeg op, werkt keihard en daarbij is het ook nog hartstikke leuk om elkaar te leren kennen. Dat maakt elke werkdag op Appeltern een belevenis. En niet te vergeten ook het publiek dat langskomt en de mensen waarmee je in gesprek raakt. Even een impressie van een werkdag Appeltern. ’s Morgens start met het inladen van de auto, koffie voor de pauze en water koken voor de thee. Dan langs de supermarkt voor het kopen van de lunch. De ene dag is het biologisch brood en dito beleg en kruidenthee en de andere dag flessen cola en kroketten voor in de airfryer. Tsja van dat laatste had ik nog nooit gehoord maar de kroketten waren heerlijk.
Na het bezoek aan de supermarkt een prachtige rit door het steeds veranderende landschap. De krentenbomen hebben we zien bloeien, de pinksterbloemen, de bloesem aan de fruitbomen. In Beneden-Leeuwen meestal even langs de Formido om materiaal op te halen of terug te brengen. Allervriendelijkst, altijd bereid te helpen en wat ik vraag te geven. Nog een klein stukje naar Appeltern en dan door het hek naar de tuin. En elke dag denk ik bij de start, ach we zijn vandaag vast lekker vroeg klaar en op tijd thuis. Maar dat is meestal een illusie. En raar maar waar ook dat is niet erg.
Nu zijn we bezig met de laatste delen, blijft spannend. Eerlijk is eerlijk ik ben te vaak erg vroeg wakker en het eerste wat me te binnen schiet is leem, regent het niet te hard en komt het wel af en lukt het allemaal…… Ik ben niet de enige, ook mijn man droomt inmiddels van zand en leem.
 
Eveline Beukema
 
Klimplanten nemen op de grond weinig ruimte in, wat ze ideaal maakt voor kleine tuinen. In april-mei kun je genieten van de heerlijk geurende bloemtrosjes van Akebia quinata. Ze verschijnen tussen het ontluikende, decoratieve vijftallige blad (quini = vijf). De windende stengels hebben steunmateriaal nodig en kunnen met gemak 10 m lang worden. Dat is wel iets om rekening mee te houden, maar snoeien biedt uitkomst. In een warme zomer kunnen na (kruis)bestuiving augurkachtige purperblauwe vruchten ontstaan, eetbaar maar smakeloos. Vandaar de Nederlandse naam ‘schijnaugurk’. Groeit gemakkelijk en is volkomen winterhard.
 
Julia Voskuil
 
 
Vorige week stond het gebouw van de Japanse architect Tadao Ando in Weil am Rhein bij Bazel nog verscholen tussen de bloeiende kersenbomen. Hij bouwde het voor de Vitra Meubelfabrieken, die elk nieuw gebouw door een wereldberoemd architect lieten ontwerpen. Vandaag althans, want toen waren ze nog in opkomst of onbekend. Frank Gehry, Nicholas Grimshaw, Zaha Hadid, Álvaro Siza, Herzog & de Meuron, Renzo Piano, SANAA, Tadao Ando, … je zou voor minder een blokje om rijden. Die staan daar dus allemaal bij elkaar. Dus volgende keer op reis langs Bazel: op de rem trappen en een tussenstop inlassen.
 
Rondom het gebouw van Tadao Ando bestaat het verhaal dat hij beslissing eiste over de plek waar gebouwd zou worden. Dat was in de bestaande hoogstamboomgaard van kersenbomen. Juist, de Prunussen, waar de Japanners zo verliefd op zijn. Hij koos de locatie zodanig en maakte zijn gebouw op die welbepaalde manier, dat er slechts drie bomen moesten wijken. Hij schoof het congrescentrum als het ware tussen de bomen. En daar staat het nu nog. Elk jaar weer genietend van die miljoenen kersenbloesems die in de wind rond dwarrelen, tussen de bergen van het Zwarte Woud en de Vogezen.
 
Michel Lafaille
 
Aan opvallers en schreeuwers heb ik normaal gesproken een broertje dood. Altijd op de voorgrond, hier ben ik, en kijk mij eens geweldig zijn. Bah!
 
Nu stond ik vandaag, onderweg van een afspraak weer richting huis, te wachten bij de verkeerslichten in het steeds mooier wordende Helmond. Mijn ogen werden getrokken naar de middenberm. Normaal gesproken op een warme junidag is er alleen gras met een toefje zwerfvuil te bekennen, maar dat is nu wel anders. Zo ver als ik kan kijken kleurt de middenberm geel. Waarschijnlijk is er besloten bij de wegwerkzaamheden van afgelopen jaar om de automobilisten dit voorjaar eens flink te verrassen. Dat is dus goed gelukt!
Ook al is het massale gele tapijt wat schreeuwerig en aanwezig, het gaat net zoals bij de verkiezingen. Elke leider wil voorop staan en gezien worden, maar na een paar weken is het net of er niets is gebeurd. De schreeuwers verdwijnen vanzelf weer van het toneel. Ze kruipen weer in de grond, en de volgende periode zijn ze weer van de partij.
Ode aan de Narcis.
 
Tom Poppelaars
 
Als ontwerper kom je bij de meest uiteenlopende opdrachtgevers. Het is namelijk goed om je opdrachtgever te leren kennen. Door vragen te stellen krijg je verhalen of zelfs lessen! Dat is het mooie van ons beroep.
Zo was ik laatst voor een beplantingsplan bij een melkveehouder. De gemeente wilde graag een plan zien om de opstallen achter zijn boerderij uit het zicht te halen. Zodat het bedrijf als geheel beter in het landschap past.
Zittend aan de keukentafel babbelden we over koetjes en kalfjes. Hoe moeilijk het was voor een boer om met de vernieuwingen mee te gaan. Over koeien melken vroeger met de hand, tegenwoordig in een melkstal en steeds vaker met een melkrobot. Dat koeien eigenlijk erg lui zijn en met regen niet naar buiten willen.
Zijn die ruime koeienstallen dan zo slecht nog niet? Nee, wat comfort betreft leven die koeien in een resort: ze liggen droog en schoon, hebben alle ruimte en hebben volop water en voer tot hun beschikking. Er hangen zelfs grote borstels in de stal waar ze heerlijk tegen aan kunnen schurken! Maar het naar buiten gaan de wei in, kan koeien ook onrustig maken. Dat komt omdat ze eigenlijk geen tijd hebben om te grazen wanneer ze in de stal gemolken worden door een melkrobot. Iedere koe wordt dan op haar eigen tijd gemolken door de melkrobot. Kijkend uit het keukenraam zie ik de koeien van de buurman terug naar de stal lopen. Deze buurman heeft in de koeienstal een melkrobot. "Ja, zegt de boer. “Zijn ze net achter op het land, moet er weer een koe terug naar de melkrobot. En als er één koe gaat, wil de rest ook mee!”
O zit dat zo? Bij hem zie ik de koeien rustig in de wei grazen. Vanmorgen vroeg zijn ze gemolken en naar buiten gegaan. Ze lopen in de wei tot het aan het einde van de middag weer tijd is om te worden gemolken.
 
Zo leer je als ontwerper altijd weer bij. De les voor deze morgen is dat het cultuurlandschap van koeien in de wei verandert door de melkrobot en dat wij dat erger vinden dan de koeien zelf.
 
Jans Bos
 
Afgelopen januari heb ik met mijn vriendin een winterbeklimming gedaan van de berg Ben Nevis in Schotland.
Al bij een van de eerste schreden op de berg werd mijn blik gevangen door een bijzonder natuurfenomeen. Het was een heldere koude nacht geweest gevolgd door een klaarblijkelijk heldere dag. De zon straalde op deze ‘crispy morning’ aan het heldere firmament, een welhaast onwaarschijnlijke gewaarwording in het winterse en natte Schotland.
We liepen nl. over een groot tapijt van wonderschone ijsbloemen op de stenen. De bloemen hadden een weg gezocht over het stenen oppervlak via watermoleculen, gegeven door de ochtenddauw.
Pure verwondering bij zoveel schoonheid, doch eenvoud!
De groeven en structuur van de steen waren in dit opzicht slechts de regisseur, terwijl moeder natuur zelf haar eigen bloemenzee creëerde.
 
In ons vak als ontwerper is het niet veel anders, het ontwerp is de groef van de steen, maar uiteindelijk bepaalt moeder natuur vaak hoe het beeld is na vele jaren.
 
Eric Meijer